Goethe in Civita Castellana, 1786

Achterin de zaal verhief zich een stem: “Ik heb de man nooit erg sympathiek gevonden. En dat iedereen met zijn Italië-boek wegloopt, wat zal ik zeggen, voor mij hoeft het niet.”

De stem bleek later bij een gepensioneerde docente Duits te horen. Zij had het over Goethe en diens boek Reis naar italië. Ook ik in Arcadië. De civitonica – inwoonster van Civita Castellana –  lanceerde haar opmerking na afloop van de twee lezingen over Goethe’s bezoek in 1786 aan het stadje, waar hij op 28 oktober aankwam. De schrijver was die ochtend heel vroeg uit Terni vertrokken met als reisdoel Rome: “Morgenavond dus in Rome. Ik kan het nog nauwelijks geloven…” (132) De route liep over de via Flaminia en dat betekende aan het eind van de 18e eeuw dat je aan je rechterhand het stadje Civita Castellana op je weg vond. Het deel van de Flaminia tussen Terni en Civita was niet eenvoudig, want je moest de bijna 50 kilometer met een reiskoets over een stel fikse bergen en navenante dalen. (Zie Google Maps.) De weg wordt nu gebruikt voor wat men plaatselijk verkeer noemt, maar tevens door hedendaagse pelgrims, die te voet of op de fiets de via Flaminia nemen om de heilige stad te bereiken. Als je de tijd hebt, beloont het landschap je met spectaculaire panorama’s en grote schoonheid.

Het bleek later, dat de gepensioneerde lerares Duits zich vooral had gestoord aan de schaarse notities die de beroemde schrijver aan haar geliefde geboorteplaats had gewijd. Zij had het boek al op jonge leeftijd gelezen, eerst in een Italiaanse vertaling en later natuurlijk in Goethe’s moedertaal, die voor haar de tweede werd en die zij ook zou gaan onderwijzen.

Ik van mijn kant was ook niet erg gelukkig met de acht woorden die hij aan onze Soratte heeft gewijd: “zeer schilderachtig verheft zich de alleenstaande berg Soracte”. (131) Hij zou dit geschreven kunnen hebben na het bekijken van een van de schilderijen van de vele Noord Europese kunstenaars, die vóór hem in Rome waren neergestreken en de berg in het landschap hadden afgebeeld. Een paar woorden dus maar, en geen bezoek gebracht aan het dorp Sant’Oreste, noch de berg bestegen. De schrijver had vanaf de top de Tyrreense zee kunnen aanschouwen: een tijdloze en onvergetelijke ervaring.

Op de voorgrond het fort Sangallo met het stadje Civita Castellana. Op de achtergrond de berg Soratte.

In het korte debat dat volgde, gebruikte de lerares in een bijzin het woord ‘dagboek’ voor Goethe’s boek. Een merkwaardige typering, want zó had ik het nooit gelezen. Later begreep ik waarom meer lezers dit dachten: boven de paragrafen staat immers de plaats en de datum vermeld, en soms ook het dagdeel.

Borstbeeld Goethe 1780. Foto Maria Korporal, 2017.

Je kunt van Reis naar Italië van alles en nog wat zeggen, maar het als dagboek kwalificeren, nee, dat kan niet. Het is voldoende om te weten dat de auteur de tekst pas drie decennia later geschikt heeft gemaakt voor publicatie, namelijk in 1817. Na dertig jaar was Goethe niet meer de jongeman die zijn Italiaanse Grand Tour maakte. Het boek dat hij in 1817 aan zijn lezers voorlegde, bevat een bewerking van de teksten die hij tijdens die reis had geschreven, geen dagboek. Wellicht was dit de beste keuze die hij kon maken, want Goethe’s reisverslag – mits de lezer de nodige afstand bewaart – prijkt terecht op de leeslijst van elke Italië-reiziger.

 

Nota

Voor dit stukje heb ik de vertaling van Mr. Roel Houwing gebruikt, waarvan de eerste druk in 1946 bij Contact verscheen, de mijne is de 5e, uit 1975. In 2005 kwam Uitgeverij Boom met een geannoteerde vertaling, bezorgd door M. Putz.

De lezingen werden gehouden op vrijdagmiddag 27 oktober 2017 in de bibliotheek van Civita Castellana.

 

Advertenties
Geplaatst in Italië reizigers, Sant'Oreste en de berg Soracte | Tags: | Een reactie plaatsen

Generalfeldmarschall Albert Kesselring in Sant’Oreste, 1943-1944

Italië heeft in beide wereldoorlogen een rol gespeeld. In het dorpje waar ik sinds 1988 woon, werd over het tijdsbestek waarin zij werden gestreden (1915-1918 + 1940-1945) op vrijdagmiddag 13 oktober een klein symposium gehouden. De decennia die zij omsluiten wordt in de Nederlandse geschiedschrijving Interbellum genoemd en in de Italiaanse aangeduid met Ventennio. De bijeenkomst vond plaats in de context van het project “Grote en kleine geschiedverhalen in Neder Sabina tussen de wereldoorlogen” [Storie e microstorie in Bassa Sabina nel periodo delle guerre mondiali], waarvan de organisatoren beogen zoveel mogelijk archiefstukken, mondelinge getuigenissen, foto’s, objecten, enz., aanwezig in de locale archieven, te verzamelen en beschikbaar te maken.

Voor wie? In de eerste plaats voor de inwoners van de tien gemeenten die met hun archieven en bibliotheken aan het project deelnemen. De website tilt op die manier de locale geschiedenis naar een interlocaal niveau en vervolgens naar een vorm van algemene toegankelijkheid. De gemeenten zijn: Cantalupo, Casperia, Forano, Montopoli di Sabina, Nazzano, Poggio Mirteto, Sant’Oreste, Tarano en Toffia. Van deze tien kan ik alleen spreken over Sant’Oreste, de stad waar ik woon en werk. Elk van deze tien heeft natuurlijk iets om trotse verhalen over te vertellen, maar alleen Sant’Oreste heeft de berg Soracte. En juist in de middelste jaren van de Tweede Wereldoorlog heeft deze berg onderdak verleend aan een van Hitlers bekendere generaals: Albert Kesselring.

De twee hoofdrolspelers en Kesselring op de rug gezien.

Kort na half september 1943 vestigde hij zijn hoofdkwartier in de tunnels die in de 2e helft van de jaren dertig van de vorige eeuw op bevel van Mussolini in de westelijke flank van de berg waren gegraven.Het jaar 1943 is een sleuteljaar: op 25 juli zet de Hoge Raad van het fascisme zijn eigen leider af. Na zijn bezoek aan de koning wordt de Duce gearresteerd en naar Campo Imperatore op de Gran Sasso overgebracht. Op 8 september wordt in de vooravond bekendgemaakt dat Italië om een wapenstilstand heeft gevraagd aan de geallieerden, die inmiddels een flinke vooruitgang hebben geboekt in het zuiden van het land. De koning en de regering poetsen kortelings de plaat: in Brindisi nemen zij de boot naar veiliger havens.

De voormalige bondgenoten zagen de bui al hangen en hebben na 25 juli 1943 niet stilgezeten. Generaal Kesselring kan na overleg met Hitler in actie komen en al op 10 september de getekende overgave in ontvangst nemen en Rome en Midden- en Noord-Italië tot bezet gebied verklaren waarvoor de Duitse oorlogwetgeving geldt. Enkele dagen daarna betreedt de generaal zijn werkvertrekken in één van de tunnels. De berg biedt hem, zijn staf en manschappen, ongeveer 500 personen, veiligheid tot de eerste dagen van juni 1944.

Deze opmerkelijke aanwezigheid heeft in het dorp ook in de naoorlogse jaren een rol gespeeld. Zodanig dat een onderwijzer tijdens de schooljaren 1976-1977 en 1977-1978 op het idee kwam om een groep van 27 leerlingen van 10 tot 12 jaar een flink aantal familieleden en bekenden over deze negen maanden te ondervragen. Het kon immers niet anders dan dat de aanwezigheid van soldaten en officieren van de Wehrmacht het bestaan van velen in het dorp belangrijk had beïnvloed.

De onderwijzer heette Giuseppe Zozi (overl. in 2016). Een groot deel van de 27 leerlingen woont nog in het dorp. Eén van hen heeft tijdens het symposium van vrijdagmiddag iets over hun ‘onderzoek’ verteld. Hij liet ons ook het resultaat ervan zien: een ruim 300 pagina’s tellend gestencild verslag van hun werk. De jongens en meisjes hadden ‘oral history’  bedreven zonder ooit van deze vorm van geschiedbeoefening te hebben gehoord.

De wethouder van cultuur heeft mij gevraagd iets te zeggen over het personage commandant Albert Kesselring en over het boek L’isola di Kesselring, dat onze uitgeverij Apeiron Editori in 2002 heeft gepubliceerd. In het boek wordt het verhaal van de negen maanden verteld. De redacteur Francesco Zozi had zich voorgenomen het materiaal in een leesbaar verhaal toegankelijk te maken voor zijn dorpsgenoten en eventueel voor andere geïnteresseerden. Hier was dus geen historicus aan het woord die de nodige kritische afstand kon nemen, maar een dorpsbewoner met een politieke mening die door velen werd gedeeld en door vele anderen radikaal verworpen. Zozi stond immers bekend als een sympathisant van Mussolini en orthodoxe katholiek, en beide aspecten hebben hun sporen nagelaten. Niettemin vond het boek bij ‘vriend’ en ‘vijand’ onthaal en maakte op zijn beurt geschiedenis, ook buiten het dorp.

Aan mij dus het verzoek iets over de ‘ware’ Albert Kesselring naar voren te brengen. Ik zal dat hier niet herhalen en verwijs naar de inmiddels flink gegroeide literatuur en de memoires van de Wehrmacht generaal van de Luftwaffe, waarin hij met onwankelbare trots zijn levensloop aan het papier heeft toevertrouwd. Hij verschoont zichzelf van elke verantwoordelijkheid voor de talloze burgerslachtoffers van de bombardementen op de steden Warschau (1939) en Rotterdam (1940). Zijn beleid ten aanzien van het Italiaanse verzet en de burgerbevolking – gekenmerkt door de voor nazi’s kenmerkende terreur – werd volgens hem door de oorlogssituatie gerechtvaardigd. Mij lijkt de understatement-achtige conclusie van de Duitse historicus Elmar Krautkrämer geldig: ‘Eine besondere Achtung des menschlichen Lebens hat ihn nicht ausgezeichnet’. Ik hoef niet te zeggen, dat de hier opgesomde elementen door redacteur Zozi niet in aanmerking zijn genomen. Onjuist en onnodig zou het zijn hem dit achteraf te verwijten. Voor het veertigtal toehoorders van mijn Kesselring causerie was dit nieuwe informatie die tot debat aanleiding gaf.

De bijeenkomst van vrijdagmiddag maakte overigens opnieuw duidelijk welke gevaren locale geschiedschrijving bedreigen, als deze wordt bedreven met een te geringe historiografische afstand, men de algemene context uit het oog verliest en als men, ten slotte, gegevens verzamelt met behulp ‘oral history’ technieken zonder de regels van dit vak in acht te nemen.

 

 

Geplaatst in Sant'Oreste en de berg Soracte | Tags: , | Een reactie plaatsen

Bij de dood van mijn kater Max (2000-2017)

Op een avond aan het begin van deze nieuwe eeuw, tijdens een gespek bij hem thuis, stelde mijn vader dat aan het gezond oud worden een erg vervelend nadeel kleefde. Hij doelde op het wegvallen van de mensen van zijn generatie. Dat ontnam hem de mogelijkheid om met hen het gezamenlijk verleden te delen. Het hield hem bijna dagelijks bezig, zei hij, en voegde er aan toe dat het praten over je eigen verleden met iemand die was opgegroeid in de dezelfde tijd en omgeving héél iets anders was dan aan je kleinkinderen vertellen hoe een bepaalde gebeurtenis “in opa’s jeugd” zich had afgespeeld.

Diverse jaren na zijn dood heb ik pas doorzien wat er in zijn redenering stak. Ik begreep bij voorbeeld, dat een kleinkind, hoe belangstellend het zich in het gunstigste geval ook toont, de discontinuïteit belichaamt. En verder dat elk overlijden van één van mijn vaders leeftijdsgenoten een onheelbare breuk was, het definitieve verlies van wéér een gesprekspartner, dat de voorraad in het magazijn der eenzaamheid aanvulde. Hij bezocht niettemin trouw de begrafenisplechtigheden van zijn één voor één overleden vrienden, kennissen en familieleden, die hem. zo zei hij, voor waren gegaan.

Max in 2015.

Zijn bespiegelingen speelden mij weer door het hoofd in de dagen na het overlijden van mijn tweede en laatste huisgenoot-viervoeter kater Max. Hij stierf op woensdagmorgen 14 juni 2017 bij het aanbreken van de dag. Daarmee kwam er een eind aan zeventien jaar gezelschap, waarvan toewijding en vertrouwen, plezier en communicatie de belangrijkste bestanddelen waren. Gewoonlijk passen deze elementen in een goede verhouding tussen het dier en de mens die hun lot aan elkaar hebben verbonden. Wellicht trad het element van de ‘communicatie’ bij kater Max meer dan gebruikelijk op de voorgrond. Een dierenarts zei ons – eind 2000 bij zijn sterilisatie – dat hij behoorde tot de ‘pratertjes’, die naar haar mening niet zo dik gezaaid waren. Zij ried ons aan deze aanleg te stimuleren. Wij volgden haar advies op en de beloning bleef niet uit: Max groeide op tot een kater die te pas en te onpas zijn bekje open deed. Tot wederzijds genoegen, dat spreekt.

Vanwege het vertrek van mijn drie huisgenoten: door het overlijden van twee geliefde dieren en het verhuizen van één geliefd mens naar elders mankeren de samenspraak en het genot van het gedeeld verleden.

De kunstenaar en schrijver Jac. van Looy geeft zijn personage bij het begin van zijn verhaal ‘De dood van mijn poes’ (1889) deze gedachten in:

Waar zat zo’n beest anders zo lang, en nu juist, nu ik haar bij me hebben wou, nu ’k me zo alleen voelde, zij zo vroolijk met haar gespeel; nu ik haar eigenwijs wel zou willen zien rondlopen over mijn zolder, of onhoorbaar van haar nest op de luie stoel naar me komen zien aanzetten, de geringde staart hoog dragend, als een pluim ijdelheid die ze genoegelijk boven zichzelf opstak. […] kijk: zo zou ik haar weer willen zien liggen nu, op de rosse vloer van oud plankenhout, in weelderig uitgerek, net doende zo, als een miniatuur van een koningstijger op een rode rots die zich heet stooft, geslagen liggend door ’t zat vreten, vuurkijkend nog uit de zwarte ringen van zijn geweldige kauwkop en die gaapt en rekt en knipoogt naar de zon.

Van Looys poes komt terug naar het atelier, maar het loopt toch slecht met haar af. U vindt hier het complete verhaal.

Oh ja, mijn vader meende oprecht, dat het geregeld ophalen van herinneringen aan wat je samen hebt beleefd, je uiterste best doen om zoveel mogelijk details boven water te krijgen, ondanks de verklaarde onbetrouwbaarheid van het menselijk geheugen, de dood bij hem uit het laantje hield. Ik meen dat hij er niet ver naast zat.

Mijn goede Max heb ik dezelfde woensdag even voor zonsondergang achter de grote loods begraven. Een plaatsje op loopafstand, minder dan honderd meter van mijn huis. Af en toe ga ik er langs en leg er een steentje bij.

Geplaatst in Afscheid | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Etty Hillesum doorgedrongen tot in de Enciclopedia Italiana

Het is niet zo moeilijk om op de hoogte te blijven van de nieuwe boeken over Etty Hillesum die in Italië verschijnen. Iets lastiger is het om de aan haar gewijde artikelen in tijdschriften en kranten op het spoor te komen. Het wordt gecompliceerd als het gaat om hoofdstukken of alinea’s over haar in publicaties over andere zaken. Af en toe overkomt het me dat ik een verwijzing aantref terwijl ik eigenlijk op zoek was naar iets heel anders.

Zoals vanmorgen. Ik zocht naar lexicale informatie gerelateerd aan Nederlandse onderwerpen in de beroemde Enciclopedia Italiana, uitgegeven door het Instituut  Treccani, opgericht in 1907 in Rome en actief tot op de dag van vandaag. De encyclopedie is in talloze bibliotheken beschikbaar, zelfs in kleinere gemeenten.  Tegenwoordig bestaat er ook een online versie. Je kunt op de EI site zowel nieuwe artikelen vinden als de bijdragen uit de jaren dertig van de vorige eeuw. Een bijzonder interessante historische bron!

In het grote artikel over Nederland – getiteld: ‘Paesi Bassi’– vond ik in paragraaf 5 van het omvangrijke hoofdstuk over literatuur  een alinea over verzetsliteratuur waarin ook Etty Hillesum wordt genoemd. Dit is mijn vertaling ervan:

De verzetspoëzie vond haar belangrijkste uitdrukkingen in “Het lied der achttien dooden”, van J. Campert en in het Het Vrij Nederlandsch liedboek (1944), waarin gedichten van verschillende auteurs zijn opgenomen. Eén van de bekendste getuigenissen van de verschrikkingen van de oorlog is Het Achterhuis (1947) van Anne Frank; een recente ontdekking is het waardevolle werk van E. Hillesum, gedood in Auschwitz: Het verstoorde leven (1981) en Brieven 1942-1943 (1986). Het thema oorlog en oorlogsherinneringen  is aanwezig in het werk van diverse auteurs: van de novelle De nacht der Girondijnen (1957) , van E. (sic) Presser, de bundels Het bittere kruid (1957) en De val (1982), van de schrijfster M. Minco, tot de roman De aanslag (1986) van H. Mulisch.

[Ik heb de Italiaanse titels + jaar van uitgave van de vertalingen van de genoemde boeken weggelaten.]

In deze alinea hebben Anne Frank, Auschwitz en Harry Mulisch een link naar de aan hen gewijde artikelen in dezelfde encyclopedie gekregen. Over Etty Hillesum werd tot nu nog geen afzonderlijk artikel gepubliceerd.

Het lijkt mij van belang dat Etty Hillesum is vermeld in deze gerenommeerde en prestigieuze Italiaanse encyclopedie. Hillesums aanwezigheid duidt erop dat haar bekendheid in dit land in stijgende lijn is. Wel moeten we bedenken, dat er in het artikel alleen auteurs worden genoemd wier werk in een Italiaanse vertaling beschikbaar is. Het lijkt me eveneens van belang, dat het deze keer nu eens niet gaat om Hillesums presentie in een specifiek segment van de Italiaanse maatschappij, maar om een plaatsje  binnen de brede context van een algemeen cultureel instrument van de bovenste plank.

 

Geplaatst in Italiaanse Hillesum Kroniek | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Natalia Ginzburg in analyse

Tijdens het wachten op mijn beurt in het Romeinse oogziekenhuis was ik in de gelegenheid enkele essays te lezen uit Natalia Ginzburgs bundel Mai devi domandarmi (1970). lett.: ‘Nooit moet je mij vragen’. Ik neem aan dat dit boek nooit een Nederlandse  vertaling te beurt is gevallen, want in de database van de KB wordt alleen de Italiaanse editie vermeld. Er was geen speciale reden om de bundel te lezen. Het gebeurde een beetje als bij toeval, hoewel, niemand leest bij toeval een boek.

In het zesde hoofdstuk vertelt Ginzburg (1916-1991) over de therapie die zij bij een psychiater in Rome had gevolgd. Hij werd haar aangeraden door een vriendin, die hoog van de man opgaf. Het moet kort na 1952 zijn geweest, want in dat jaar kwam zij weer terug naar Rome, inmiddels opnieuw getrouwd. Haar eerste echtgenoot stierf begin 1944 in Rome als gevolg van de mishandelingen door de nazi’s.

De volgende elementen in het verhaal trokken mijn aandacht: zij noemt hem ‘dottor B.’, schrijft dat hij Duitser was. B. was een Jood en een jungiaan.  Op een dag probeerde hij haar het verschil tussen Freud en Jung uit te leggen, maar zij verloor al snel haar aandacht en dreigde in slaap te vallen. Het was echter de anecdote  over schrijven die mij op het spoor zette van de man achter de hoofdletter B. Ginzburg vertelt over een ontmoeting op straat met een vriendin, die haar waarschuwde voor de gevolgen van een psychoanalyse: zij zou weliswaar zelf genezen, maar haar creativiteit als schrijfster zou mét de ziekte verdwijnen. Ginzburg vertelde het dezelfde dag nog aan haar analyst, die zo reageerde:

Hij werd rood en ontstak in woede. Ik had hem nog nooit boos gezien. In zijn ogen had ik nooit anders waargenomen dan ironie en glimlach. Hij sloeg met zijn blanke, geringde hand op tafel en zei dat het niet waar was en dat mijn vriendin er niets van begreep. Als ik bij een freudiaan in analyse zou zijn gegaan, had ik mijn lust om te schrijven misschien verloren, maar hij was een jungiaan  en daarom kon mij dat niet overkomen. Sterker nog, ik zou zelfs betere boeken gaan schrijven zodra ik mijzelf beter ging leren kennen. (p. 63-64.)

Het door B. gelegde verband tussen therapie, zelfkennis en het schrijven doet mij onvermijdelijk denken aan een andere schrijfster, ook Joods, maar die anders dan Natalia Ginzburg de oorlog niet overleefde. Ik bedoel Etty Hillesum. Of Natalia Ginzburg tijdens haar laatste levensjaren Hillesums dagboek of brieven heeft gelezen, weet ik niet. Het zou kunnen, want zij stierf in 1991 en de vertaling van het dagboek – Het verstoorde leven – was in 1986 in het Italiaans beschikbaar gekomen.

Op de vraag ‘Wie gaat er schuil achter de B.’ is dit het antwoord: Ernst Bernard (1896-1965), die bij Jung het vak had geleerd. Hij was in 1936 met zijn vrouw Dora uit Berlijn naar Rome gevlucht vanwege het nazisme. In 1932-33 had hij in Berlijn kennis gemaakt met Julius Spier en diens chirologie. Heeft Bernard in zijn therapeutische praktijk iets gedaan met het werk van Spier? Het zou aardig zijn daar iets meer over te vinden, niet in de laatste plaats omdat naar verluid ook Federico Fellini enige tijd bij Bernard in therapie is geweest. Merk op dat Ginzburg haar voormalige therapeut ook met zijn initiaal aangeeft. Toeval?

Geplaatst in Italiaanse schrijvers | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Toekomstig academisch analfabetisme in Italië

Het rommelt in het land van Dante Alighieri en Umberto Eco. Gisteren, 4 februari 2017, heeft de ‘Florentijnse Groep voor een verdienstelijke en verantwoordelijke school’ zich in een open brief gericht tot de Ministerpresident, de Minister van Onderwijs en het Parlement. De brief opent met de volgende zin: “Het is nu al jaren duidelijk dat teveel leerlingen bij de afsluiting van hun middelbare schoolcarrière slecht Italiaans schrijven, weinig lezen en moeite hebben zich mondeling uit te drukken. Universitaire docenten wijzen al jaren op het gebrek van talige competentie bij hun studenten (grammatica, squolasyntaxis, woordkennis). Zij signaleren fouten die in de derde klas van de basisschool nauwelijks door de vingers worden gezien.”

 

Dit liegt er niet om. De instituties die voor het schoolsysteem verantwoordelijk zijn, wordt verweten dat zij niet adequaat op de problemen reageren. Door opeenvolgende regeringen zijn de ernstige spellingsproblemen en de veruit onvoldoende beheersing van de grammatica schromelijk onderschat. Ondanks de goede wil en grote inzet van docenten ontbreekt de politieke wil om aan oplossingen te werken, aldus de opstellers.

De brief is ondertekend door zo’n 600 universitarie docenten, afkomstig uit een zeer groot aantal academische disciplines. Onder hen nogal wat auteurs met vele én succesvolle publicaties op hun naam.

De remedie die in de brief wordt voorgesteld, blijkt zich te richten op het verwerven van voldoende basisvaardigheden van een algemene taalbeheersing. De volgende zes onderwerpen zouden nationaal moeten worden getoetst: dictee, samenvatting, tekstbegrip, lexicale kennis, grammatica en schrijven met de hand.

Voor mijn generatie geen nieuws. Het laatste punt wekt nu al geen verbazing meer op: welk kind schrijft er nog met de hand in het digitale tijdperk? Blijkens een Duits onderzoek is het niet alleen in Italië kommer en kwel.

De Italiaanse tekst van de brief vindt u hier.

Geplaatst in Over taal en vertalen | Een reactie plaatsen

Het gedicht Amor fati van Antonia Pozzi

Amor fati

Als je uit mijn duister breekt
en neerplenst
in een val
van bloed –
vaar ik met rode zeilen
door vreselijke stiltes
naar de kraters
van het beloofde licht.

13 mei 1937.

En het origineel:

Amor fati

Quando dal mio buio traboccherai
di schianto
in una cascata
di sangue –
navigherò con una rossa vela
per orridi silenzi
ai cratèri
della luce promessa.

13 maggio 1937.

 

AntoniaPozzi, mei 1937

Mei 1937.

De Italiaanse dichteres Antonia Pozzi werd geboren op dinsdag 13 februari 1912 in Milaan. Op 3 december 1938 werd haar levenloze lichaam gevonden in de buurt van de abdij Chiaravalle ten zuiden van de stad. Op een briefje in haar handschrift vroeg zij begraven te worden aan de voet van het Grigna gebergte. Haar wens werd vervuld. Haar graf bevindt zich op het kerkhof van het bergdorp Pasturo waar haar familie een huis bezat en zij gelukkige jaren van haar korte leven heeft doorgebracht.

Haar vader Roberto Pozzi heeft lang geprobeerd de zelfmoord van zijn dochter te verdoezelen. Sinds enkele jaren krijgt Antonia Pozzi de aandacht die zij verdient: haar werk is volledig uitgegeven en over haar leven werden enkele films gemaakt. Ik kom er nog op terug.

 

Geplaatst in Italiaanse schrijvers | Tags: , | Een reactie plaatsen