Genua 2018 en Huizinga’s ‘Hoge bruggen van begrip’

1. In en rondom mijn huis is het in augustus gewoonlijk heerlijk rustig. Tijd om te lezen en te schrijven. Tijd ook om mij voor te bereiden op de afspraken in het najaar en na te denken over nieuwe boeken uit te geven in 2019 en 2020. Eén van de plannen behelst een Italiaanse editie van Johan Huizinga’s Amerika-dagboek en diverse brieven uit die periode: april – juni 1926. Huizinga schreef na zijn terugkomst Amerika levend en denkend waaraan hij de ondertitel ‘Losse opmerkingen’ meegaf, maar, schrijft hij, ook ‘tegenstrijdige beschouwingen’ zou passend zijn geweest.

Aan deze vredige augustussfeer kwam op 14 augustus abrupt een einde door de dramatische gebeurtenissen in Genua, waar de brug over de rivier Polcevera instortte en waarvan vrijwel direct de invloed èn de consequenties op lange termijn duidelijk werden. Het gaat enerzijds om het verdriet en het lijden van hen die hun geliefden en familieleden verloren, en anderzijds om de verstrekkende sociaal-economische gevolgen voor de stad en zijn bewoners. De omvang van dit laatste aspect krijgt langzaam maar zeker meer ruimte in de media en zal na gisteren (18 augustus, dag van nationale rouw) meer op de voorgrond treden. Het is belangrijk om het perspectief van de kwestie in het oog te houden. Het gaat immers niet om een natuurramp of een fataliteit, maar is een gevolg van menselijk handelen en zeer waarschijnlijk te wijten aan nalatigheid. In de woorden van het staatshoofd Sergio Mattarella: ‘een onaanvaardbare tragedie’.

Wat rest van de brug.

Reeds enkele uren na de ramp kwam het land in de ijskoude greep van een destructieve polemiek waarin de verantwoordelijkheid voor de instorting – de schuldvraag – door de huidige regeringsleiders direct werd geplaatst bij de beheerders van de brug, Autostrade S.p.A., en bij de voorgaande regeringen.

Onvermijdelijk is de verdere accentuering van de al geruime tijd sterk gegroeide politieke tegenstellingen in het land en het openbare leven, ondanks de ook vandaag weer herhaalde oproep van het staatshoofd tot nationale eenheid en voor meer moderatie in het politieke discours. In een willekeurige nieuwsuitzending wordt het verdriet en de wanhoop van de vele honderden betrokkenen bij het drama verteld, maar in dezelfde uitzending kan men zien en horen hoe de nationale politieke leiders zonder enige terughoudendheid ernstige beschuldigingen en verwijten uitspreken, en maatregelen aankondigen die wellicht later prematuur of zonder fundament zullen blijken. Zo een klimaat getuigt niet alleen van weinig respect tegenover de nabestaanden, het lijkt al evenmin ideaal voor het vaststellen door de rechterlijke instanties van de verantwoordelijkheden voor het gebeurde.

Het is tekenend, dat de nabestaanden van méér dan de helft van de slachtoffers hebben afgezien van de staatsbegrafenis en besloten hun geliefden in de privé-sfeer te begraven.

2. De inwoners vergeleken hun brug niet zelden en niet zonder trots met die in Brooklyn. De Morandi brug was het symbool van Genua en staat centraal in de biografie van deze dynamische havenstad, vergelijkbaar met Rotterdam. Dit symbool van economische en culturele welvaart dreigt nu om te slaan in een symbool van stilstand en teruggang. Deze dreiging – daarover lijkt men het eens – kan het best worden afgewend door vormen van gemeenschappelijk handelen, dat spoedig na de verwerking van de rouw op gang moet komen.

Huizinga was in het voorjaar van 1926 in Amerika om tijdens een rondreis langs een aantal universiteiten om zich over de stand van de Amerikaanse sociale wetenschappen te laten informeren. Hij nam onder de academici en intellectuelen een stemming waar die haaks staat op het hier boven beschrevene. In het genoemde Amerika levend en denkend citeert Huizinga twee verzen uit de vierde afdeling van Walt Whitmans befaamde gedicht ‘Crossing Brooklyn Ferry’ (complete text). Huizinga werd tijdens zijn rondreis getroffen door wat men zou kunnen omschrijven als de wil tot saamhorigheid, het streven om gezamenlijk de problemen aan te pakken en tot een oplossing te brengen. Hij leest deze ‘nabijheid’ ook in deze twee verzen van Whitman:

The men and women I saw were all near to me
Others the same – others who look back on me because I look’d forward to them…

Huizinga schrijft naar aanleiding hiervan:

Waardoor herinneren mij de hedendaagse [Amerikaanse] sociologen en psychologen onweerstaanbaar aan de dichter der vorige eeuw? – Omdat wat hen bezielt hetzelfde is, omdat nu de wetenschap exacte vorm poogt te geven aan hetgeen de dichter in gigantische vormloosheid uit de chaos der gedachte kneedde. Hoge bruggen van begrip te slaan tussen onze voorstellingen van de mens en van de samenleving.

Voor een snelle en efficiënte reconstructie van de havenstad Genua lijkt het slaan van hoge bruggen van begrip een voorwaarde. Laten we hopen dat deze richting wordt ingeslagen. Het triumviraat dat de politieke leiding van dit land in handen heeft, lijkt op dit moment echter meer behoefte te hebben om het vuur van de polemiek aan te blazen, dan de weg te willen vrijmaken voor een beleid dat wordt geïnspireerd door respect en weloverwogen, rationele beslissingen.

 

Noot.
Johan Huizinga, Amerika levend en denkend, in: Verzamelde Werken, V, Cultuurgeschiedenis III, Tjeenk Willink, Haarlem, 1950, 456. [19271]

 

Advertenties
Geplaatst in Algemeen | Tags: , , | Een reactie plaatsen

De brug in Genua en een gedicht

Naar aanleiding van de ramp in Genua, waar gisteren, 14 augustus 2018, tegen het middaguur de brug Morandi over de rivier Polcevera instortte, kwam mij dit gedicht van Guiseppe Ungaretti in gedachten.

Nietigheid

Plotseling
is hoog
op de puinhopen
de glasheldere

verbazing
van de onmetelijkheid

En de man
voorovergebogen
over het water
dat door het zonlicht
verrast wordt
hervindt zichzelf
als een schim

Gewiegd en
langzaam
gebroken

Ungaretti schreef het gedicht op 19 augustus 1917 in Vallone.

Het gedicht kan men vinden op pagina 344 van Gepolijst albast. Acht eeuwen Italiaanse poëzie, de bloemlezing die Frans van Dooren in 1994 bij uitgeverij Ambo liet verschijnen. De Italiaanse versie op pagina 78 in: Vita d’un uomo. Tutte le poesie. Bezorgd door Leone Piccioni, Mondadori, Milaan 1992.

 

Geplaatst in Italiaanse schrijvers | Tags: , , | Een reactie plaatsen

De verjaardag van een gedicht: honderd jaar ‘Soldaten’ van Giuseppe Ungaretti

Nogal wat van mijn Italiaanse vriendinnen lezen poëzie. Mijn vrienden minder, veel minder. De vriendinnen kennen het werk van Giuseppe Ungaretti (Alexandrië 1888-Rome 1970) en zodra zijn naam valt, dragen zij diens gedicht Soldaten voor:

Het voelt als
in ’t najaar
aan de bomen
de blad’ren

Ungaretti schreef dit juweeltje over de condition humain in juli 1918. Hij nam het op in de bundel met de ironische titel ‘Vrolijkheid van schipbreuken’ (Allegria di naufragi, 1919)

Luciano Anselmi, ets, 1955.

met vier andere gedichten in de afdeling ‘Zwervende’. Bij de publicatie vermeldde hij ook de plaats: Bois de Courton. Deze drie gegevens: de titel, de tijd en de plaats, zetten de lezer op het spoor van de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog. De dichter-infanterist diende als vrijwilliger in het Italiaanse leger in actie in Frankrijk (zie over de militaire campagne deze wiki-pagina).

Na de oorlog, op 9 november 1918, keert hij terug naar Parijs. Hij gaat er studeren en ontmoet er belangrijke kunstenaars en schrijvers, waaronder Apollinaire, De Chirico en Palazzeschi. De dag dat hij aankomt in de stad, haast hij zich naar het huis van Apollinaire met de beloofde Toscano sigaren, waar de Franse dichter dol op was. Hij treft hem aan op bed: overleden op deze dag.

Jeanne Dupoix

In 1920 trouwt hij met de Française Jeanne Dupoix en in 1922 verhuist het paar naar Rome. Ungaretti kiest in die jaren voor de politiek en de cultuur van het fascisme en ondertekent in 1925 het ‘Manifest van de fascistische intellectuelen’. De dichter gedraagt zich, althans volgens de meeste critici, gedurende het Italiaanse Interbellum (Ventennio) meer als een meeloper, dan een fanatieke aanhanger. Hij krijgt dan ook geen voet aan de grond. In 1936 vertrekt het gezin naar San Paolo in Brazilië waar hij aan de universtiteit Italiaanse literatuur gaat doceren. Uit economische noodzaak. In San Paolo overlijdt in 1939 zijn enige zoon, Antonietto, negen jaar oud. In 1942 keert het echtpaar met hun dochter Ninon terug naar Italië. Ungaretti’s geliefde, acht jaar oudere broer Costantino was twee jaar eerder, in 1937, overleden. Aan hem droeg hij 1947 de bundel Ik heb alles verloren op. Met ‘alles’ wordt gedoeld op hun gezamenlijke verleden in Alexandrië. Na de Tweede Wereldoorlog doceert Ungaretti aan de Romeinse Universiteit ‘La Sapienza’.

Eergisteren ben ik met een goede vriendin gaan lunchen. Debet aan haar literaire achtergrond kwam de poëzie ter sprake en – hoe kan het anders in deze dagen – de politiek. De naam Ungaretti viel en natuurlijk ook zijn gedicht Soldaten. Het kleinood viert in juli 2018 zijn eeuwfeest! Mijn geïnspireerde disgenote waagde de volgende vergelijking. ‘Na het slagveld van de verkiezingen’, stelde zij, ‘gaan we een periode in, die mogelijk uitloopt op een autoritair regime.’ Ik kon een lachbui nauwelijks de baas en wierp tegen dat ze misschien wat al te snel van stapel liep. Ze wond zich over mijn reactie niet op, want zij had mij al snel na onze eerste kennismaking – jaren geleden – ondergebracht in de categorie ‘onverbeterlijke optimisten’.

Tot mijn vreugde had ik mijn notitieboekje op zak en kon haar het citaat van Ungaretti voorlezen, dat ik in het voorjaar had opgetekend:

‘In mijn gedichten is geen spoor van haat voor de vijand, voor nìemand: men vindt er de bewustwording van de condition umaine, van de broederschap, van het lijden, van de extreme onzekerheid van het leven. Men vindt er de wil en de noodzaak zich uit te drukken, van een bij primitieve exaltatie van een primaire levenslust, van het verlangen om te leven, dat nog eens wordt versterkt door de nabijheid en de dagelijkse aanwezigheid van de dood.’

Zij keek mij sprakeloos aan. Wist ik het zeker? Was het wel van Ungaretti?

Onder ons gezegd: het geel-groene politieke getij in mijn tweede vaderland baart ook mij zorgen, méér dan voorheen.

Noot
In de sectie ‘Zwervende’ staan de vijf gedichten gedateerd met 1918. Ze zijn in deze volgorde opgenomen: Grasveld (Prato), Men draagt (Si porta), Zwervende (Girovago), Onbezorgd (Sereno) en Soldaten (Soldati).

Geplaatst in Poëzie: Italië 20e eeuw | Tags: | Een reactie plaatsen

Pasolini in Rome: een onmisbaar woordenboek voor liefhebbers

Pasolini werd op 5 maart 1922 in Bologna geboren, maar woonde vanaf januari 1950 in Rome. In de nacht van 1 op 2 november 1975 werd hij vermoord in Ostia door een jongeman van 17 jaar, Pino Pelosi (1958-2017), die de dichter enige uren daarvoor op het plein van station Termini in zijn Fiat Alfa Romeo had verwelkomd. Een eerste gedetailleerde reconstructie van de laatste uren van de dichter en regisseur vindt men als proloog op de biografie die zijn vriend Enzo Siciliano in 1978 publiceerde. Eén van de recentere reconstructies is de documentaire van de italiaanse historicus Paolo Mieli.

De schrijver en literatuurcriticus Siciliano (1934-2006) is één van de zesentwintig

Pasolini met Totò tijdens de opnamen voor Uccellacci e uccellini. (Foto van Davide Cavicchioli. )

personen (zie de lijst aan het einde van deze post) van wie de jonge Romeinse schrijver Dario Pontuale in zijn boek ‘Het Rome van Pasolini: Een stadswoordenboek’ hun relatie met de dichter beschrijft. Iets meer dan de helft van de in totaal 129 lemma’s zijn gewijd aan de plaatsen die in het leven van Pier Paolo Pasolini essentiëel waren. Het gaat om straten, pleinen, buurten, heuvels en niet te vergeten de bruggen en de twee rivieren, de Tiber en de Aniene. Daarnaast beschrijft Pontuali restaurants, café’s, bioscopen en andere gebouwen. Dan zijn de lemma’s over de films die Pasolini in Rome heeft gemaakt en die over het literaire werk – te beginnen met Ragazzi di vita –  gerelateerd aan plaatsen in Rome. Een grote hoeveelheid details draagt bij tot een precies beeld van de context waarin de werken ontstonden. De auteur bespreekt zes films die in de stad en de omgeving tot stand kwamen:

Accatone
Comizi d’amore
Mamma Roma
Ro.Go.Pa.G
Salò o le 120 giorni di Sodoma
Uccellacci e uccellini.

Pontuali vermeldt een gebeurtenis in de bioscoop Vier Fontijnen, één van de twee die worden besproken en in de straat ligt van dezelfde naam: via Quattro Fontane, een zijstraat van de via Nazionale, in het hart van stad. Het verhaal plaatst ons midden in de politieke kwestie die Pasolini in de Romeinse periode óók is geweest. Na afloop van de première van Mamma Roma op 22 september 1962, wordt de regisseur in de foyer grof uitgescholden door een rechtse student. Pasolini verliest zijn geduld, haalt uit en de jonge fascist gaat tegen de grond. De rechtse pers, altijd tuk om Pasolini aan te pakken, gaat in de aanval en buit het voorval uit. Het was één van de vele honderden agressies, waarvan er 33 uitliepen op een rechtzaak.

De volgende literaire werken krijgen in het boek aandacht:

Alì dagli occhi azzurri
La religione del mio tempo
Le cenere di Gramsci
Petrolio
Poesia in forma di rosa
Ragazzi di vita
Una vita violenta.

De tekst van het lemma ‘De as van Gramsci’, die ik bij wijze van voorbeeld heb vertaald, geeft een idee van Pontuali’s werkwijze:

Voordat de elf korte gedichten werden gebundeld en door uitgeverij Garzanti in 1957 gepubliceerd als De as van Gramsci, waren ze in het jaar daarvoor verschenen in het tijdschrift Nuovi Argomenti, dat was opgericht door Alberto Carocci en Alberto Moravia, naar het voorbeeld van Sartre’s Les Temps Modernes. Elsa Morante had de gedichten in manuscript gelezen en Moravia liep warm voor de publicatie in het tijdschrift dat tot dan toe alleen essays had geplaatst. Het eerbetoon aan Antonio Gramsci wordt gerechtvaardigd door de politieke affiniteit met de dichter en diens oprechte interesse voor linguïstische en culturele randgebieden, maar vooral door de overtuiging van het belang van een ‘nationale volksliteratuur’. In de bundel – die uitkwam na de gebeurtenissen in Hongarije – wisselen autobiografische elementen, overdenkingen van ideologische aard, intellectuele aspecten, artistieke ideeën en politieke overwegingen elkaar af. Het zijn de coördinaten voor een schets van een nederig, spontaan en kaalgeslagen naoorlogs Italië, dat wordt doorkruist door een groeiend aantal conflicten en een onderhuidse onrust. Het taalgebruik is vernieuwend en krachtig, hoopvol en wanhopig, levend en brutaal, verheven en volks, en krijgt vorm in terzinen van elflettergrepige verzen, die doen denken aan Pascoli en Dante. De verzen zijn onregelmatig door het gebruik van imperfect rijm en de frequente aanwending van enjambements. Dit zijn de stylistische elementen, die deze poëzie opstuwen tot ongekende hoogten. Op 16 december 1958, tijdens een gesprek met de journalist Roberto De Monticelli, verklaart Pasolini: ‘Mijn poëzie verschilt van die van de twintigste eeuw: ‘Zij vervangt het onlogische met het analogische, het probleem met de genade.’ De criticus Carlo Salinari karakteriseert de gedichten als ‘De eerste werkelijk belangrijke bundel van de nieuwe generatie.’ In een brief aan de auteur schrijft Livio Garzanti spijtig: ‘Uw boek is goed verkocht, maar ik heb de domheid begaan er slechts vijftienhonderd te laten drukken. Ik heb nu de opdracht gegeven voor een herdruk, want het is in deze dagen opgeraakt.’ (pp. 78-80.)

De namen in vet verwijzen naar een lemma elders in het boek. Op die manier komt  een dicht netwerk van nuttige cross-references tot stand. De gegevens over de wijken in de stad waarin Pasolini heeft gewoond, over de personen met wie hij bevriend was en over degenen met wie hij samenwerkte, maken het boek van Pontuale tot een waardevol instrument voor lezers en onderzoekers van Pasolini’s werk. Het zou ook kunnen dienen als een handleiding voor hen die een ‘pelgrimstocht’ naar het Pasoliniaanse Rome willen ondernemen. De plattegronden die in het boek zijn opgenomen, helpen daarbij.

Wie naar de plaatsen op zoek gaat, krijgt te maken met de Romeinse ‘borgate’ (enkelvoud ‘borgata’). Die waren zeer belangrijk voor Pasolini. Cyrille Offermans gebruikt in De Groene Amsterdammer van 4 juli 2012 de term ‘sloppenwijken’, maar uit het 

Borgata Gordiani

boek van Pontuali blijkt dat dit woord slechts in een heel beperkt aantal gevallen van toepassing is. Ik vond op een website (www.romasparita.eu) een foto van de wijk Gordiani uit het begin van de jaren vijftig.  Op de voorgrond een stuk van een sloppenwijk, op de achtergrond de wijk met flatgebouwen waarvoor echter ook nu nog de term ‘borgata’ wordt gehanteerd.

Portuali citeert Pasolini, die in 1958 schrijft: ‘De ‘borgata’ is een typisch Romeins verschijnsel, aangezien Rome de hoofdstad was van de fascistische staat. Het is waar, dat ook vandaag nog ‘borgate’ ontstaan, maar die zou men ‘vrije borgate’ kunnen noemen: grillige groepen huisjes van één of twee verdiepingen, zonder dak, jarenlang zonder lijstwerk, ongeschilderd, kalkwit glinsterend in de zon, veraf op het aan zijn lot overgelaten platteland, lijkend op bedoeïenendorpen.’ (p. 57) Dit lijkt een ietwat geromantiseerd beeld van een keiharde werkelijkheid die varieerde van schrijnende armoede en verpaupering in sommige delen van de stadsperiferie tot de enorme naoorlogse woonwijken die in de jaren zestig en zeventig niet zelden aan hun lot werden overgelaten. Grote wijken als Torbellamonica hebben ook vandaag te maken met ernstige sociale problemen, maar een vergelijking met de jaren vijftig of met de omstandigheden van vóór de oorlog, is niet correct. De sloop- en bouwplannen van Benito Mussolini verdreven in die tijd vele duizenden bewoners uit het centrum, die vervolgens in buitengewoon slechte behuizingen ‘buiten’ de stad werden ondergebracht. In de loop van de jaren vijftig was het aantal ‘borgate’ uitgegroeid tot een dozijn. Portuali bespreekt de vijf die in het werk van Pasolini een rol spelen: Gordiani, Pietralata, Rebibbia, Tiburtina III en de wijk Trullo. Het waren ook de wijken waar de ‘antropoloog’ en de in het Romeinse dialect geïnteresseerde Pasolini op zoek ging naar zijn materiaal en personages.

Het boek, een soort kleine Pasolini encyclopedie, bevat ruim zeventig z/w afbeeldingen, een overzicht van de gebruikte websites en een bibliografie. Ondanks de ontbrekende namenindex, een pijnlijke omissie, een must voor Pasolini-lezers.

Noot.
Dario Pontuale, La Roma di Pasolini. Dizionario urbano, Nova Delphi, Rome, 20182.
Enzo Siciliano, Vita di Pasolini, Introduzione di Angelo Romanò. Nuova edizione. Rizzoli, Milaan 19812.
De gunstige bespreking van de vertaling van De as van Gramsci van Luc Devoldere door Cyrille Offermans heeft als titel: ‘Dichter van de zwijnenstal’. Merkwaardig, want het zou de vertaling moeten zijn van ‘Poeta della porcata’, terwijl ‘zwijnenstal’ in het Italiaans ‘porcile’ is. Pasolini schreef trouwens een theaterstuk  met de titel Porcile (1966), maar dit terzijde. Ik ken de vertaling van Devoldere niet, maar als Offermans goed heeft geciteerd, dan ben ik er niet gerust op.

De namen van de personen aan wie in het boek een lemma wordt gewijd:

(De link beperkt tot de achternaam is naar een Nederlandse wikipedia-pagina.)

Giorgio Bassani (1916-2000)
Dario Bellezza (1944-1996)
Attilio Bertolucci (1911-2000)
Bernardo Bertolucci (1940-)
Laura Betti (1927-2004)
Giorgio Caproni (1912-1990)
Vincenzo Cerami (1940-2013)
Franco Citti (1935-2016)
Sergio Citti (1933-2005)
Ninetto Davoli (1948-)
Federico Fellini (1920-1993)
Franco Fortini (1917-1994)
Carlo Emilio Gadda (1893-1973)
Livio Garzanti (1921-2015)
Renato Guttoso (1911-1987)
Anna Magnani (1908-1973)
Dacia Maraini (1936-)
Elsa Morante (1912-1985)
Alberto Moravia (1907-1990)
Renzo Paris (1944-)
Silvio Parrello (1942-)
Pino (Giuseppe) Pelosi (1958-2017)
Sandro Penna (1906-1977)
Enzo Siciliano (1934-2006)
Totò (1898-1967)

Geplaatst in Italiaanse schrijvers, Rome | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Lucrezia Lerro over Liefde: Etty Hillesum en Julius Spier

Lucrezia Lerro schrijft romans en gedichten. Ze werd in 1977 geboren in het dorp Omignano in de Zuid-Italiaanse provincie Salerno, heeft opvoedkunde gestudeerd in Florence en woont en werkt in Milaan. Ik neem deze summiere gegevens over van de Wikipediapagina die aan haar is gewijd. Ze heeft tot op dit moment negen romans

Lucrezia Lerro.

gepubliceerd, vier bundels poëzie en een vijftal theaterstrukken. Haar romans zijn uitgegeven door Bompiani en Mondadori – dat zijn vooraanstaande Italiaanse uitgeverijen. Het laatste boek, La giravolta delle libellule, kwam in 2017 uit bij La nave di Teseo. Bij deze recent (2015) opgerichte Milanese uitgeverij was Umberto Eco nauw betrokken. Hij overleed echter kort voordat de eerste titel op de markt kwam.

Het boek waaraan ik hier enige aandacht wil geven, heeft zij in 2016 uitgebracht bij de katholieke uitgeverij San Paolo, die deel uitmaakt van het omvangrijke spectrum van Italiaanse religieuze uitgeverijen. San Paolo heeft een behoorlijk aantal boeken over Etty Hillesum in haar fonds.

Lerro’s boek heeft als titel ‘De aanstekelijkheid van de liefde: Etty Hillesum en Julius

Omslag van de roman.

Spier’ (Il contagio dell’amore. Etty Hillesum e Julius Spier) en wordt gepresenteerd als fictie. De auteur verwijst in het nawoord op pagina 175 naar het dagboek en de brieven die haar tot inspiratie dienden: de Italiaanse edities van Het verstoorde leven en de brieven, die respectievelijk in 1985 en 1990 door Adelphi werden gepubliceerd, en besluit het boek met een biografische schets van de familie Hillesum (pp. 177-180).

De roman bevat drie citaten uit Hillesums werk. De belangrijkste is de tekst van de briefkaart aan Christien van Nooten, die Etty Hillesum op 7 september 1943 uit de trein heeft gegooid op weg naar Auschwitz-Birkenau en waarmee de roman wordt afgesloten.

Aangezien het gaat om een fictionele tekst over personen die werkelijk hebben bestaan, laat de auteur haar werk voorafgaan door een waarschuwing: ‘Deze roman neemt slechts ten dele het werkelijke leven van Etty Hillesum als uitgangspunt.’ Hiermee geeft de schrijfster zichzelf de vrije hand.

Het verhaal draait om de liefdesrelatie tussen Hillesum en Spier. Daarnaast wordt aan de verhouding tussen Etty Hillesum en haar ouders erg veel aandacht besteed. Andere personages worden wel ter sprake gebracht – Pa Han, Maria Tuinzing – maar krijgen geen invulling. De andere thema’s zijn het schrijven en het geloof. De optiek van waaruit de roman is geschreven is de liefde.

In ‘De aanstekelijkheid…’ wordt verteld dat Etty Hillesum van Spiers ‘patiënte’ opklimt naar diens medewerkster en hoe deze ontwikkeling gepaard gaat met de ontluikende en beantwoorde wederzijdse liefdesgevoelens. Hoewel ook over het erotische aspect van hun relatie wordt gesproken, blijkt nergens dat de relatie verder is gegaan dan het worstelen als onderdeel van de therapie. De dood van Spier door een ‘hartinfarct’ betekent het einde van de relatie en zijn we ook bijna aan het einde van het verhaal.

Met Han Wegerif – de andere geliefde – had Hillesum méér dan een platonische relatie. Hij is een constante aanwezigheid voor én na haar kennismaking met  Spier. Lerro thematiseert in haar roman de kwestie van de abortus (117) en wordt het een ‘ongelukje’ genoemd. Het motief voor de abortus wordt niet gemotiveerd door de oorlogsomstandigheden, maar door het privéleven van Pa Han.

Lerro beperkt het verhaal ruimtelijk tot Amsterdam. Etty en haar broers wonen bij hun ouders in de Gabriël Metsustaat. Spiers woning is in de Courbetstraat, maar die ligt in de roman aan een gracht want daarop kijkt Etty uit als zij voor het raam staat. Kamp Westerbork komt wel ter sprake, maar alleen als plaats waar de Joden vanuit Amsterdam naar toe worden gedeporteerd.

In het eerste hoofdstuk presenteert Lerro de ouders Hillesum waargenomen door de dan 14 jarige Etty. Vader Hillesum, in de roman Levi, wordt gedomineerd door zijn vrouw, hier Rebecca, die zich obsessief met het eten inlaat en bovendien voortdurend ruzie zoekt met haar echtgenoot. We vernemen niets over hun achtergronden, behalve een verwijzing naar de Russische afkomst van Rebecca. Deze negatieve karakterisering van de ouders is in lijn met de Italiaanse studies van vóór de publicatie van de integrale editie van het dagboek in 2012. Aangezien de selectie door meer mensen wordt gelezen dan de integrale editie, blijft dit verwrongen beeld domineren.

In het eerste en tweede hoofdstuk zien wij twee termen die de toon van de roman zetten: gebed (‘preghiera’, p. 14; de 14-jarige Etty knielt voor het slapengaan naast haar bed en bidt voor haar ouders) en vergeving (‘perdono’, p. 21). Etty had een vriendin toevertrouwd: ‘Macht wil voor mij zeggen vergeven.’

Uit de laatste alinea van hoofdstuk 7 blijkt dezelfde tendens om aan het romanpersonage Etty Hillesum een christelijke karakter te geven:

– Weet U wat het verschil is tussen iemand die gelooft en een ander die niet gelooft ? vroeg Etty aan hem (= Spier)

– Zeker. […] Iemand die gelooft, heeft het leven lief en is in staat op eigen benen te staan, zichzelf tot steun te zijn. […] Nederig kan men slechts worden als men de toegebrachte kwetsingen vergeet.’ (72-73)

Vooral de laatste zin over het achter zich laten van de kwetsingen, van het door anderen berokkende leed, deed mij denken aan de autobiografische roman van Giacometta Limentani (1927-2018), waarin zij vertelt over het antisemitische geweld waarvan zij en haar familie onder het fascisme van Mussolini vanaf 1938 slachtoffer werden. Het is onwaarschijnlijk dat zij de agressie zal vergeten, maar dat betekent niet dat zij de nederigheid, de liefde voor anderen en voor het leven niet kende. Integendeel, zij was in geen enkel opzicht vervuld van haat en bewonderde de moed van Etty Hillesum.

Nederigheid is een nastrevenswaardige deugd. In boven geciteerde zin doet het echter meer denken aan de christelijke nederigheid, die past bij de ‘christelijke’ Etty die de auteur voor de lezer neerzet. Een Etty die vrijwel geheel is ontdaan van haar Joodse achtergrond. De liefde tussen Hillesum en Spier blijkt een voorstadium van de Liefde met een hoofdletter, de menselijke liefde voor God en Gods Liefde voor de mens.

Hier is een gedreven schrijfster aan het woord. De zesentwintig korte hoofdstukken – van gemiddeld 6,2 pagina’s – zijn geschreven in een goed lopend hedendaags Italiaans dat de aandacht van de lezer vasthoudt tot aan het laatste bladzijden. Het verhaal moge zich dan afspelen in Amsterdam, het is ontdaan van alle eventuele storende locale – lees: Nederlandse – culturele elementen. Dat geldt evenzeer voor de historische context, die  vrijwel volledig ontbreekt. De volgens dit bestek gecreëerde romanpersonages, voegen zich moeiteloos in de Italiaanse context en komen bij een Italiaanse lezeres of lezer daarom vertrouwd over.

Niet iedereen zal deze werkwijze toejuichen en meer feitelijke informatie hebben verwelkomt. Maar in een land waar de historische en hedendaagse kennis over de Lage Landen bijzonder gering is, lijkt deze reductieve aanpak voor hen die werkzaam zijn in de culturele sector een onvermijdelijke keuze. Ik vind dat jammer en zou mij van de kant van Italiaanse schrijvers, filmmakers en uitgevers meer durf en inspanning wensen.

Geplaatst in Italiaanse Hillesum Kroniek, Italiaanse schrijvers | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Italië 1938: een antisemitisch document

De fascistische dictatuur geleid door Benito Mussolini kwam in de zomer van 1938 in een nieuwe fase: in de juli werd het op biologische aannames gebaseerde racistisch   antisemitisme aangekondigd. Voor de nieuwe politiek van het regime werden in de tekst “Het fascisme en het probleem van het ras” de lijnen uitgezet. In tien stellingen werd beoogd een wetenschappelijke basis te verschaffen aan een exclusief biologisch-racistisch begrip van het Italiaanse volk. Het document wordt ook wel genoemd: “Manifest van de fascistische academici”, omdat het zou zijn samengesteld door hoogleraren en wetenschappers. U kunt hier mijn Nederlandse vertaling in pdf downloaden.

Het is 80 jaar geleden dat Mussolini het antisemitisme tot een van de kernpunten van zijn politieke beleid maakte. Niet dat het in Italië voordien afwezig was, integendeel, maar in 1938 werd het een staatszaak. Daarmee begon de periode waarin de Italiaanse Joden stap voor stap rechtenloos werden gemaakt en in een maatschappelijk isolement werden gedreven. De afbeelding hiernaast uit het tijdschrift ‘De verdediging van het ras‘, van 10 november 1938, brengt een serie verbodsbepalingen in beeld.

De razzia’s, vervolgingen en deportaties, dus de maatregelen waarbij men het gemunt had op het leven van de Joden, luidden een nieuwe fase in. Die begon enkele dagen na 8 september 1943. Op die woensdag werd door regering Badoglio bekend gemaakt dat zij een wapenstilstand had gesloten met de geallieerde strijdkrachten. De Duitsers gingen onmiddelijke over tot de bezetting van de noordelijke helft van het land, inclusief Rome.

In 2018 wordt in Italië niet alleen tachtig jaar anti-joodse wetgeving herdacht. Het is op 16 oktober aanstaande vijfenzeventig jaar geleden dat op zaterdagmorgen de grote razzia in het voormalige getto van Rome plaatsvond (zie de voorgaande post).

Ik zou hier nog een belangrijke gebeurtenis willen vermelden: in hetzelfde jaar 1943 werden Etty Hillesum, haar broer Mischa en haar ouders op 7 september uit kamp Westerbork naar Auschwitz-Birkenau gedeporteerd. Tijdens het Internationale Etty Hillesum Congres op 10, 11 en 12 september aanstaande in Middelburg zal hieraan ongetwijfeld ruim aandacht worden besteed. Etty Hillesum was klaarblijkelijk op de hoogte van de eerste val van Mussolini op 25 april 1943 en het verloop van de oorlog in Italië, want ze schrijft op 8 augustus 1943 in een brief aan Maria Tuinzing: “Ik bedacht een verhaaltje over Victor Emanuel, over een volksregering en een naderende vrede…”.

Geplaatst in Antisemitisme in Italië | Tags: , , | Een reactie plaatsen

16 oktober 1943: de razzia in het voormalige getto van Rome

Vergeleken met de razzia’s, de deportaties en het aantal Joodse slachtoffers is er een groot kwantitatief verschil tussen Nederland en Italië. De nazi-dictatuur duurde in Nederland vijf jaar. De noordelijke helft van het Italiaanse schiereiland, inclusief Rome, werd door de voormalige bondgenoot bezet kort ná de gebeurtenissen van 8 september 1943. Het zou duren tot 25 april 1945 voor het land geheel was bevrijd. Voor Rome kwam dit gelukkige moment aanzienlijk eerder: op 5 juni 1944 waren de geallieerden in de stad. De anti-joodse politiek werd in het bezette gebied onverstoorbaar voortgezet en heeft in totaal iets meer dan 8000 slachtoffers geëist.

Op zaterdag 16 oktober 1943 werd door de nazi’s een grootschalige razzia in het Romeinse voormalige getto uitgevoerd. 1020 Joden werden naar Auschwitz-Birkenau gedeporteerd. Het bleef bij deze eenmalige omvangrijke actie. In de maanden daarna, tot hun aftocht naar het noorden, pakten de nazi’s nog wel Joden op, maar dat betrof gelukkig slechts geringe aantallen. Italiaanse jodenjagers waren daarbij overigens zeer behulpzaam.

Over de razzia publiceerde de schrijver en literatuurcriticus Giacomo Debenedetti (1901-1967) al in december 1944 een eerste verslag. Het was een korte tekst die werd afgedrukt in het Romeinse tijdschrift Mercurio. In boekvorm zou het werkje decennia lang het enige referentiepunt blijven. In 1985 bracht Meulenhoff een Nederlandse vertaling uit, gemaakt door Frida De Matteis Vogels: 16 oktober 1943 – een joodse kroniek.

Sinds de eeuwisseling is het aantal publicaties over deze rampdag sterk gegroeid. Opvallend in dit spectrum is het boek dat de Romeinse (maar geboren in Turijn, 1944) historica Anna Foa in 2013 publiceerde: Portico d’Ottavia: Una casa nel ghetto nel lungo

Voorplat van de 1e editie.

inverno del ’43 [letterlijk: De zuilengalerij van Octavia: Een huis in het getto in de lange winter van 1943]. Zij heeft zich de vraag gesteld wat er op die dag met de inwoners van het grote pand aan de via Portico d’Ottavia 13 is gebeurd. Het resultaat is een boeiende «micro history», gebaseerd op archief- en literatuuronderzoek, die zij evenwel zorgvuldig heeft ingebed in de historische context. Anna Foa vertelt het verhaal van het lot van ruim honderd Romeinse vrouwen en mannen en hun kinderen, die het slachtoffer werden van het misdadig handelen van de nationaalsocialisten.

Anna Foa heeft twaalf jaar gewoond in een van de appartementen die het uit de middeleeuwen daterende pand rijk is. Misschien was dit een van de motieven om het verhaal te vertellen. Maar haar Joodse afkomst en het feit dat zij moderne en contemporaine geschiedenis beoefent, als docente en onderzoeker aan de Romeinse universiteit Sapienza, hebben mogelijk ook meegeteld.

In haar boek stelt Foa behalve de feitelijke gang van zaken een aantal fundamentele kwesties inzake de Jodenvervolging aan de orde. Ik noem hier: de gedegen voorbereiding, zorgvuldige geheimhouding, efficiënte uitvoering (ondanks een tekort aan manschappen), gebruikmaking van de gegevens van de Romeinse burgelijke stand, van de hand- en spandiensten van de fascistische politie, ook al werd die sterk gewantrouwd, en tenslotte de valse informatie verstrekt aan de slachtoffers omtrent hun bestemming. Het zijn elementen die wij ook uit de Nederlandse situatie kennen. Een verschil is bijvoorbeeld de ‘segregatie’, die in Italië reeds in 1938 (!) zijn beslag kreeg in de zogenaamde rassenwetgeving.

De meeste van de Joodse bewoners van het Huis­ – Foa gebruikt de term Huis en schrijft die met een hoofdletter: Casa – bleken vóór en na de razzia niet alleen slecht geïnformeerd over de ware bedoelingen van de nazi’s, maar zelfs te goed van vertrouwen. Op een enkeling na die onderdook, bij voorbeeld rabbi Zolli, die niet naliet anderen aan te sporen hetzelfde te doen. Door de leiding van de Joodse gemeenschap werd hem lafheid verweten.

Het blok genaamd Sant’Ambrogio della Massima , waarvan het pand op nummer 13 deel uitmaakt.

Natuurlijk maakten ook anderen – vrouwen en mannen – zich in de vroege ochtenduren van 16 oktober snel uit de voeten, voor zover zij konden. De meesten van de ongeveer 110 bewoners, verdeeld over een 20-tal gezinnen, bleven echter in hun woning. Het gedrag van erg veel vrouwen werd helaas bepaald door de overtuiging dat de Duitsers alleen de mannen zouden oppakken voor de zogenaamde Arbeitseinsatz. Maar ook de bekende feiten die elders eveneens de onderduik verhinderden – gebrek aan financiële middelen, familie, vertrouwde omgeving – telden mee. Foa maakt melding van wat ook uit andere onderzoeken is gebleken: dat diverse Romeinse kloosters gastvrijheid gaven aan Joodse vrouwen en kinderen. (Zie mijn recente post over Giacoma Limentani.)

De rol bij de jodenvervolging van de fascisten die zich na 8 september 1943  achter de Republiek van Salò schaarden, wordt door Foa nauwkeurig uiteengezet. Hun antisemitisme vond zijn ‘wettelijke’ basis in de fascistische rassenwetten (leggi razziali fasciste), die tot stand waren gekomen in de zomer en het najaar van 1938. Foa laat  echter duidelijk zien, dat roof van Joods bezit het hoofdmotief van hun handelen was. En dat je doet gelijk denken aan het boek Roof: De ontvreemding van joods bezit tijdens de Tweede Wereldoorlog, van Gerard Aalders. Foa geeft ook een voorbeeld van het verschijnsel dader uit eigen kring, hier in de persoon van Celeste Di Porto, bijgenaamd Zwarte Panter. Deze jonge Joodse inwoonster van de wijk collaboreerde zonder scrupules met de nazi’s en de Salò-fascisten, en verraadde vrienden, kennissen en familieleden.

Het derde thema dat ik wil noemen is de naoorlogse rechtspraak (hoofdstuk 8). Ook hier zijn opmerkelijke parallellen te bespeuren. De stemming in het naoorlogse Italië leek sterk op het gevoelen dat men ook elders in Europa aantrof: men wilde zo snel mogelijk een punt achter deze pijnlijke geschiedenis zetten en de wederopbouw ter hand nemen.

Voor wat de hier besproken geschiedenis betreft, geeft Foa aan dat talloze daders niet, nauwelijks of licht werden gestraft, en niet zelden na korte tijd vrij kwamen. Daaraan waren ook debet de amnestiemaatregelen – waaronder ook collaboratie viel – die in 1946 werden afgekondigd door de toenmalige minister van justitie Palmiro Togliatti. Niet te onderschatten was bovendien het antisemitisme dat in de jaren na de bevrijding opnieuw zijn Medusahoofd opstak. Foa citeert hiervan de evidente sporen in de verslagen van de rechtzittingen die zij voor haar boek heeft onderzocht. Voor Nederland leze men er Abel J. Herzbergs Kroniek op na.

In nauw verband hiermee staat het thema van de naoorlogse verzoening, die door het ontbreken van een adequate rechtspraak nauwelijks tot stand is gekomen. Terecht stelt de historica dat een door de slachtoffers als juist ervaren rechtspraak een voorwaarde is voor verzoening.

Foa legt in haar boek niet expliciet het verband met het groeiende antisemitisme vandaag de dag in Italië, maar uit de toon en de taal van het boek blijkt dat zij zich daarover geen enkele illusie maakt.

Noot.
Naar de jodenvervolging in Italië is degelijk historisch onderzoek verricht. Een centrale rol speelde en speelt daarbij het in Milaan gevestigde CDEC (Foundation Jewish Contemporary Documentation Center) dat zich toelegt op archiefvorming, coördinatie en bevordering van onderzoek. De Stichting CDEC neemt natuurlijk deel aan het internationale netwerk EHRI: European Holocaust Research Infrastructure.

Geplaatst in Antisemitisme in Italië | Tags: , , | Een reactie plaatsen