Natalia Ginzburg in analyse

Tijdens het wachten op mijn beurt in het Romeinse oogziekenhuis was ik in de gelegenheid enkele essays te lezen uit Natalia Ginzburgs bundel Mai devi domandarmi (1970). lett.: ‘Nooit moet je mij vragen’ Ik neem aan dat dit boek nooit een Nederlandse  vertaling te beurt is gevallen, want in de database van de KB wordt alleen de Italiaanse editie vermeld. Er was geen speciale reden om de bundel te lezen. Het gebeurde een beetje als bij toeval, hoewel, niemand leest bij toeval een boek.

In het zesde hoofdstuk vertelt Ginzburg (1916-1991) over de therapie die zij bij een psychiater in Rome had gevolgd. Hij werd haar aangeraden door een vriendin, die hoog van de man opgaf. Het moet kort na 1952 zijn geweest, want in dat jaar kwam zij weer terug naar Rome, inmiddels opnieuw getrouwd. Haar eerste echtgenoot stierf begin 1944 in Rome als gevolg van de mishandelingen door de nazi’s.

De volgende elementen in het verhaal trokken mijn aandacht: zij noemt hem ‘dottor B.’, schrijft dat hij Duitser was. B. was een Jood en een jungiaan.  Op een dag probeerde hij haar het verschil tussen Freud en Jung uit te leggen, maar zij verloor al snel haar aandacht en dreigde in slaap te vallen. Het was echter de anecdote  over schrijven die mij op het spoor zette van de man achter de hoofdletter B. Ginzburg vertelt over een ontmoeting op straat met een vriendin, die haar waarschuwde voor de gevolgen van een psychoanalyse: zij zou weliswaar zelf genezen, maar haar creativiteit als schrijfster zou mét de ziekte verdwijnen. Ginzburg vertelde het dezelfde dag nog aan haar analyst, die zo reageerde:

Hij werd rood en ontstak in woede. Ik had hem nog nooit boos gezien. In zijn ogen had ik nooit anders waargenomen dan ironie en glimlach. Hij sloeg met zijn blanke, geringde hand op tafel en zei dat het niet waar was en dat mijn vriendin er niets van begreep. Als ik bij een freudiaan in analyse zou zijn gegaan, had ik mijn lust om te schrijven misschien verloren, maar hij was een jungiaan  en daarom kon mij dat niet overkomen. Sterker nog, ik zou zelfs betere boeken gaan schrijven zodra ik mijzelf beter ging leren kennen. (p. 63-64.)

Het door B. gelegde verband tussen therapie, zelfkennis en het schrijven doet mij onvermijdelijk denken aan een andere schrijfster, ook Joods, maar die anders dan Natalia Ginzburg de oorlog niet overleefde. Ik bedoel Etty Hillesum. Of Natalia Ginzburg tijdens haar laatste levensjaren Hillesums dagboek of brieven heeft gelezen, weet ik niet. Het zou kunnen, want zij stierf in 1991 en de vertaling van het dagboek – Het verstoorde leven – was in 1986 in het Italiaans beschikbaar gekomen.

Op de vraag ‘Wie gaat schuil achter de B.’ is dit het antwoord: Ernst Bernard (1896-1965), die bij Jung het vak had geleerd. Hij was in 1936 met zijn vrouw Dora uit Berlijn naar Rome gevlucht vanwege het nazisme. In 1932-33 had hij in Berlijn kennis gemaakt met Julius Spier en diens chirologie. Heeft Bernard in zijn therapeutische praktijk iets gedaan met het werk van Spier? Het zou aardig zijn daar iets meer over te vinden, niet in de laatste plaats omdat naar verluid ook Federico Fellini enige tijd bij Bernard in therapie is geweest. Merk op dat Ginzburg haar voormalige therapeut ook met zijn initiaal aangeeft. Toeval?

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Italiaanse schrijvers en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Plaats hier uw reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s