Italië 1938: een antisemitisch document

De fascistische dictatuur geleid door Benito Mussolini kwam in de zomer van 1938 in een nieuwe fase: in de juli werd het op biologische aannames gebaseerde racistisch   antisemitisme aangekondigd. Voor de nieuwe politiek van het regime werden in de tekst “Het fascisme en het probleem van het ras” de lijnen uitgezet. In tien stellingen werd beoogd een wetenschappelijke basis te verschaffen aan een exclusief biologisch-racistisch begrip van het Italiaanse volk. Het document wordt ook wel genoemd: “Manifest van de fascistische academici”, omdat het zou zijn samengesteld door hoogleraren en wetenschappers. U kunt hier mijn Nederlandse vertaling in pdf downloaden.

Het is 80 jaar geleden dat Mussolini het antisemitisme tot een van de kernpunten van zijn politieke beleid maakte. Niet dat het in Italië voordien afwezig was, integendeel, maar in 1938 werd het een staatszaak. Daarmee begon de periode waarin de Italiaanse Joden stap voor stap rechtenloos werden gemaakt en in een maatschappelijk isolement werden gedreven. De afbeelding hiernaast uit het tijdschrift ‘De verdediging van het ras‘, van 10 november 1938, brengt een serie verbodsbepalingen in beeld.

De razzia’s, vervolgingen en deportaties, dus de maatregelen waarbij men het gemunt had op het leven van de Joden, luidden een nieuwe fase in. Die begon enkele dagen na 8 september 1943. Op die woensdag werd door regering Badoglio bekend gemaakt dat zij een wapenstilstand had gesloten met de geallieerde strijdkrachten. De Duitsers gingen onmiddelijke over tot de bezetting van de noordelijke helft van het land, inclusief Rome.

In 2018 wordt in Italië niet alleen tachtig jaar anti-joodse wetgeving herdacht. Het is op 16 oktober aanstaande vijfenzeventig jaar geleden dat op zaterdagmorgen de grote razzia in het voormalige getto van Rome plaatsvond (zie de voorgaande post).

Ik zou hier nog een belangrijke gebeurtenis willen vermelden: in hetzelfde jaar 1943 werden Etty Hillesum, haar broer Mischa en haar ouders op 7 september uit kamp Westerbork naar Auschwitz-Birkenau gedeporteerd. Tijdens het Internationale Etty Hillesum Congres op 10, 11 en 12 september aanstaande in Middelburg zal hieraan ongetwijfeld ruim aandacht worden besteed. Etty Hillesum was klaarblijkelijk op de hoogte van de eerste val van Mussolini op 25 april 1943 en het verloop van de oorlog in Italië, want ze schrijft op 8 augustus 1943 in een brief aan Maria Tuinzing: “Ik bedacht een verhaaltje over Victor Emanuel, over een volksregering en een naderende vrede…”.

Advertenties
Geplaatst in Antisemitisme in Italië | Tags: , , | Een reactie plaatsen

16 oktober 1943: de razzia in het voormalige getto van Rome

Vergeleken met de razzia’s, de deportaties en het aantal Joodse slachtoffers is er een groot kwantitatief verschil tussen Nederland en Italië. De nazi-dictatuur duurde in Nederland vijf jaar. De noordelijke helft van het Italiaanse schiereiland, inclusief Rome, werd door de voormalige bondgenoot bezet kort ná de gebeurtenissen van 8 september 1943. Het zou duren tot 25 april 1945 voor het land geheel was bevrijd. Voor Rome kwam dit gelukkige moment aanzienlijk eerder: op 5 juni 1944 waren de geallieerden in de stad. De anti-joodse politiek werd in het bezette gebied onverstoorbaar voortgezet en heeft in totaal iets meer dan 8000 slachtoffers geëist.

Op zaterdag 16 oktober 1943 werd door de nazi’s een grootschalige razzia in het Romeinse voormalige getto uitgevoerd. 1020 Joden werden naar Auschwitz-Birkenau gedeporteerd. Het bleef bij deze eenmalige omvangrijke actie. In de maanden daarna, tot hun aftocht naar het noorden, pakten de nazi’s nog wel Joden op, maar dat betrof gelukkig slechts geringe aantallen. Italiaanse jodenjagers waren daarbij overigens zeer behulpzaam.

Over de razzia publiceerde de schrijver en literatuurcriticus Giacomo Debenedetti (1901-1967) al in december 1944 een eerste verslag. Het was een korte tekst die werd afgedrukt in het Romeinse tijdschrift Mercurio. In boekvorm zou het werkje decennia lang het enige referentiepunt blijven. In 1985 bracht Meulenhoff een Nederlandse vertaling uit, gemaakt door Frida De Matteis Vogels: 16 oktober 1943 – een joodse kroniek.

Sinds de eeuwisseling is het aantal publicaties over deze rampdag sterk gegroeid. Opvallend in dit spectrum is het boek dat de Romeinse (maar geboren in Turijn, 1944) historica Anna Foa in 2013 publiceerde: Portico d’Ottavia: Una casa nel ghetto nel lungo

Voorplat van de 1e editie.

inverno del ’43 [letterlijk: De zuilengalerij van Octavia: Een huis in het getto in de lange winter van 1943]. Zij heeft zich de vraag gesteld wat er op die dag met de inwoners van het grote pand aan de via Portico d’Ottavia 13 is gebeurd. Het resultaat is een boeiende «micro history», gebaseerd op archief- en literatuuronderzoek, die zij evenwel zorgvuldig heeft ingebed in de historische context. Anna Foa vertelt het verhaal van het lot van ruim honderd Romeinse vrouwen en mannen en hun kinderen, die het slachtoffer werden van het misdadig handelen van de nationaalsocialisten.

Anna Foa heeft twaalf jaar gewoond in een van de appartementen die het uit de middeleeuwen daterende pand rijk is. Misschien was dit een van de motieven om het verhaal te vertellen. Maar haar Joodse afkomst en het feit dat zij moderne en contemporaine geschiedenis beoefent, als docente en onderzoeker aan de Romeinse universiteit Sapienza, hebben mogelijk ook meegeteld.

In haar boek stelt Foa behalve de feitelijke gang van zaken een aantal fundamentele kwesties inzake de Jodenvervolging aan de orde. Ik noem hier: de gedegen voorbereiding, zorgvuldige geheimhouding, efficiënte uitvoering (ondanks een tekort aan manschappen), gebruikmaking van de gegevens van de Romeinse burgelijke stand, van de hand- en spandiensten van de fascistische politie, ook al werd die sterk gewantrouwd, en tenslotte de valse informatie verstrekt aan de slachtoffers omtrent hun bestemming. Het zijn elementen die wij ook uit de Nederlandse situatie kennen. Een verschil is bijvoorbeeld de ‘segregatie’, die in Italië reeds in 1938 (!) zijn beslag kreeg in de zogenaamde rassenwetgeving.

De meeste van de Joodse bewoners van het Huis­ – Foa gebruikt de term Huis en schrijft die met een hoofdletter: Casa – bleken vóór en na de razzia niet alleen slecht geïnformeerd over de ware bedoelingen van de nazi’s, maar zelfs te goed van vertrouwen. Op een enkeling na die onderdook, bij voorbeeld rabbi Zolli, die niet naliet anderen aan te sporen hetzelfde te doen. Door de leiding van de Joodse gemeenschap werd hem lafheid verweten.

Het blok genaamd Sant’Ambrogio della Massima , waarvan het pand op nummer 13 deel uitmaakt.

Natuurlijk maakten ook anderen – vrouwen en mannen – zich in de vroege ochtenduren van 16 oktober snel uit de voeten, voor zover zij konden. De meesten van de ongeveer 110 bewoners, verdeeld over een 20-tal gezinnen, bleven echter in hun woning. Het gedrag van erg veel vrouwen werd helaas bepaald door de overtuiging dat de Duitsers alleen de mannen zouden oppakken voor de zogenaamde Arbeitseinsatz. Maar ook de bekende feiten die elders eveneens de onderduik verhinderden – gebrek aan financiële middelen, familie, vertrouwde omgeving – telden mee. Foa maakt melding van wat ook uit andere onderzoeken is gebleken: dat diverse Romeinse kloosters gastvrijheid gaven aan Joodse vrouwen en kinderen. (Zie mijn recente post over Giacoma Limentani.)

De rol bij de jodenvervolging van de fascisten die zich na 8 september 1943  achter de Republiek van Salò schaarden, wordt door Foa nauwkeurig uiteengezet. Hun antisemitisme vond zijn ‘wettelijke’ basis in de fascistische rassenwetten (leggi razziali fasciste), die tot stand waren gekomen in de zomer en het najaar van 1938. Foa laat  echter duidelijk zien, dat roof van Joods bezit het hoofdmotief van hun handelen was. En dat je doet gelijk denken aan het boek Roof: De ontvreemding van joods bezit tijdens de Tweede Wereldoorlog, van Gerard Aalders. Foa geeft ook een voorbeeld van het verschijnsel dader uit eigen kring, hier in de persoon van Celeste Di Porto, bijgenaamd Zwarte Panter. Deze jonge Joodse inwoonster van de wijk collaboreerde zonder scrupules met de nazi’s en de Salò-fascisten, en verraadde vrienden, kennissen en familieleden.

Het derde thema dat ik wil noemen is de naoorlogse rechtspraak (hoofdstuk 8). Ook hier zijn opmerkelijke parallellen te bespeuren. De stemming in het naoorlogse Italië leek sterk op het gevoelen dat men ook elders in Europa aantrof: men wilde zo snel mogelijk een punt achter deze pijnlijke geschiedenis zetten en de wederopbouw ter hand nemen.

Voor wat de hier besproken geschiedenis betreft, geeft Foa aan dat talloze daders niet, nauwelijks of licht werden gestraft, en niet zelden na korte tijd vrij kwamen. Daaraan waren ook debet de amnestiemaatregelen – waaronder ook collaboratie viel – die in 1946 werden afgekondigd door de toenmalige minister van justitie Palmiro Togliatti. Niet te onderschatten was bovendien het antisemitisme dat in de jaren na de bevrijding opnieuw zijn Medusahoofd opstak. Foa citeert hiervan de evidente sporen in de verslagen van de rechtzittingen die zij voor haar boek heeft onderzocht. Voor Nederland leze men er Abel J. Herzbergs Kroniek op na.

In nauw verband hiermee staat het thema van de naoorlogse verzoening, die door het ontbreken van een adequate rechtspraak nauwelijks tot stand is gekomen. Terecht stelt de historica dat een door de slachtoffers als juist ervaren rechtspraak een voorwaarde is voor verzoening.

Foa legt in haar boek niet expliciet het verband met het groeiende antisemitisme vandaag de dag in Italië, maar uit de toon en de taal van het boek blijkt dat zij zich daarover geen enkele illusie maakt.

Noot.
Naar de jodenvervolging in Italië is degelijk historisch onderzoek verricht. Een centrale rol speelde en speelt daarbij het in Milaan gevestigde CDEC (Foundation Jewish Contemporary Documentation Center) dat zich toelegt op archiefvorming, coördinatie en bevordering van onderzoek. De Stichting CDEC neemt natuurlijk deel aan het internationale netwerk EHRI: European Holocaust Research Infrastructure.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Het Colosseum van de kunstenaar Scipione

Het aantal afbeeldingen van het Colosseum is ontelbaar. Als ik mij bij dit woord iets wil voorstellen, denk ik aan zandkorrels. Men zou ook kunnen denken aan foto’s in het tijdperk van de smartphone.

Ongewone afbeeldingen van het monument vindt men slechts bij toeval, in moeilijk toegankelijke archieven en in ‘onvindbare’ publicaties. Op zondag 11 maart jongstleden kreeg ik een aantal boeken toegestopt waaronder een katalogus waarin de tekeningen van de kunstenaar ‘Scipione’  bijeen zijn gebracht.  Scipione was het pseudoniem van Gino Bonichi die in 1904 in Macerata werd geboren en 29 jaar oud aan tuberculose in Rome overleed.  Scipione was beeldend kunstenaar maar schreef ook verzen. Hij was onder meer bevriend met de letteraat Enrico Falqui en de dichter Giuseppe Ungaretti. Hij behoorde tot de eerste generatie kunstenaars van de Scuola romana.

De hier gereproduceerde tekening van Scipione stamt uit 1930 en is  bijzonder omdat de oostelijke kant van het monument wordt afgebeeld.

Het Colosseum, ca. 1930. 26 x 33 cm.

De meeste afbeeldingen zijn van de west en zuidzijde van het gebouw en zijn omgeving. Voor een juist begrip: de westzijde is waar de kassa’s en de ingang zijn. De triomfboog van Constantijn staat ook aan deze kant. De zuidkant is waar men het monument verlaat.  De kunstenaar heeft de omgeving van het monument in een onbestemd landschap veranderd. Volgens getuigenissen van tijdgenoten tekende Scipione onafgebroken, obsessief. Hier gaat het om een gewassen inkt tekening.

Ter vergelijking een foto van het Colosseum waarop men de situatie in 1935 kan zien vanuit ongeveer dezelfde gezichtshoek. Het traject van de tram is in de loop

Het Colosseum in 1935.

van tachtig jaar niet of nauwelijks veranderd. De tram ter rechterzijde is op weg links af te slaan, in de richting van Caelius, om uit te komen bij het Circus Maximus. De huizen links bestaan niet meer. Ze werden in 1936-37 gesloopt om plaats te maken voor een nieuw gebouw. Bij die werkzaamheden kwamen de resten van één van de gladiatorenscholen aan het licht. Men kan er nu in de diepte de archeologische opgravingen bewonderenvan de Ludus Magnus. Aan de rechterkant ziet men nog net een stukje van de Colle Oppio. De andere tram rijdt verder op de via Labicana in de richting van het plein San Giovanni, waar zich de Sint-Jan van Lateranen bevindt.

Het Colosseum, 1931. 35 x 42 cm.

De tekening van Scipione is een studie voor het schilderij dat hij in 1931-1932 had voltooid en dat hier links wordt afgebeeld.

Het behoort tot de vijf beroemde ‘vedute’ (panorama’s) op de eeuwige stad: Piazza Navona, Piazza del Laterano, Ponte degli Angeli – Engelenbrug – en La via che porta a San Pietro.

Het laatste schilderij (titel vertaald: ‘De straat naar de Sint-Pieter’) en ‘Het Colosseum’, laten een stukje van de stad zien voor de ‘stadsvernieuwer’ Benito Mussolini er de pikhouweel opzette (zie de foto’s op het web). Niet toevallig had de Duce de bijnaam ‘de grote pikhouweel’ gekregen, nadat hij in oktober 1936 met een slag

La spina di Borgo, Roma, 1936.

van zijn houweel  (‘piccone’) het startsein had gegeven voor de sloop vande middeleeuwse gebouwen die stonden op de plaats waar in de loop van 1937 de via della Conciliazione zou worden voltooid.

Maar toen was de  schilder Scipione al overleden.

Nota

Giuseppe Appella, Scipione. 306 disegni, Edizioni della Cometa, Rome, 1984, p. 194.

Valerio Rivosecchi, “Scipione”. Zie het hoofdstuk in: Netta Vespignani (red.), Nove maestri della Scuola Romana: Donghi, Fazzini, Ferrazzi, Mafai, Pirandello, Raphaël, Scipione, Trombadori, Ziveri, SEAT, Turijn, 1992, pp. 152-185.

Geplaatst in Colosseum, Rome | Tags: | Een reactie plaatsen

Giacoma Limentani (1927-1990)

De Italiaanse schrijfster en vertaalster Giacoma Limentani is op zondag 18 februari 2018 overleden in Rome, waar zij negentig jaar geleden op 11 oktober 1927 werd geboren. Zij is op maandag 19 februari ter aarde besteld op de Joodse afdeling van de Romeinse begraafplaats Verano, waar om 12 uur in het overvolle Joodse Tempeltje (Tempietto ebraico) afscheid werd genomen met een dienst onder leiding van drie rabbijnen en de chazan. Alle gezangen en gebeden waren in het Hebreeuws, de toespraken na afloop in het Italiaans.

Na de dienst van ruim een uur volgde men te voet de wagen naar het graf. Rabbijn De Vries schreef daarover: ‘De stoet van een grote menigte mensen, die voldoen aan hun innerlijke behoefte en gewoon te voet de lijkbaar volgen, is het meest imposante getuigenis voor degeen, die heengaat.’ Zo ook de lange stoet op weg van het Tempeltje naar het in gereedheid gebrachte graf waar de rouwenden zich omheen schaarden. Het kaddisj gebed werd gereciteerd en wat aarde uit Israël op de kist gestrooid, die vervolgens werd neergelaten.

Giacoma Limentani kwam al in haar kindertijd met ‘iets Nederlands’ in aanraking. In 1936 begon in Italië de duizelingwekkende carrière van de drie Nederlandse zusters Leschan, die in 1935 in Noord-Italiaanse Turijn verzeild waren geraakt. Zij beoefenden net als hun ouders de acrobatie en zagen zeker geen zangcarrière in het verschiet, ook al waren er in de familie van hun moeder veel musici. Zij werden ontdekt door een radio talent-scout en pijlsnel omgevormd tot zangeressen, die optraden onder de artiestennaam ‘Trio Lescano’. Hun moeder, Eva de Leeuwe, trad op als zakelijk leidster. Vanwege hun Joodse afkomst kwam er, ondanks het bezit van een ‘ariër’-verklaring en de Italiaanse nationaliteit, in november 1943 een einde aan het in Italië bijzonder geliefde trio. Moeder en dochters doken onder in de provincie en werden ondanks de nazi-klopjachten niet gevonden vanwege de hulp van de locale bevolking. Ook Giacoma Limentani was ondergedoken. Zij overleefde de vervolgingen in een Romeins klooster.

In het gezin Limentani was de lichte muziek niet alleen geliefd, maar werd zij ook beoefend. De tiener Giacoma was dol op jazz en swing en op dat punt komt het Trio Lescano in zicht. Als meisje leerde zij de liedjes van de radio na te zingen. Mussolini was overtuigd van het enorme propagandistische potentiëel van de radio en bevorderde een zo groot mogelijke verspreiding van apparaten. Een topper in het Lescano repertoir was het liedje Tuli tuli tulipan, een duidelijke verwijzing naar hun geboorteland. Een ander lied: ‘De verliefde pinguïn’ (Il pinguino inamorato), komt aan de orde in Limentani’s eerste roman ‘Bij verstek’ (In contumacia).

In deze roman wordt de elfjarige hoofdpersoon, kort na het afkondigen van de rassenwetten (zomer 1938), door vier jeugdige fascisten onder druk gezet om de schuilpaats van haar vader te verraden. Zij zwijgt. De vier voegen haar toe dat haar vader dan bij verstek zal worden veroordeeld. Om haar een lesje te leren wordt zij in haar eigen huis verkracht. Daar was op dat moment behalve zijzelf niemand anders dan haar oma aanwezig, die getuige was van de gewelddaad. Kort daarop overlijdt zij echter zodat het geheim bewaard blijft, want de elfjarige vertelt het aan niemand. Deze tot trauma uitgegroeide gebeurtenis doortrekt en bepaalt op dramatische wijze het verdere leven van het opgroeiende meisje en vrouw. Limentani giet haar verhaal in de vorm van een autobiografische roman, die bij de publicatie in 1967 veel opzien baarde.

Het tweede contact met ‘iets Nederlands’ kwam tot stand, toen ik haar in 1988 uitnodigde om deel te nemen aan het eerste Internationale Etty Hillesum symposium in Rome. Van het bestaan van het Trio Lescano was ik toen nog niet op de hoogte en behalve enkele korte essays had ik niets van Limentani’s werk gelezen. Haar naam werd mij gesuggereerd door een lid van de Joodse gemeenschap, mevrouw Bici Migliau, die ik via een studente in mijn klassen Nederlandse les aan volwassenen had leren kennen. Limentani zegde toe en werd één van de vijftien sprekers op deze bijeenkomst, die ik in nauwe samenwerking met de toenmalige directeur Ted Meijer op het Nederlands Instituut te Rome had georganiseerd. In haar lezing ging zij in op de Joodse achtergronden van Hillesums dagboek, die zij belichtte vanuit het gezichtspunt van haar eigen levenslange studie en vertalen van teksten uit de Joodse traditie, zoals de Tora en de Midrasj. In de herinnering van de Joodse gemeenschap leeft zij voort als lerares Hebreeuws, de Joodse traditie, cultuur en wijsheid. Zij wordt aangeduid met de eretitel ‘maestra’.

Giacoma Limentani in 2017.

Op een zondag eind oktober 2016 zijn Limentani, een bevriend Romeins echtpaar en ik niet ver van haar huis gaan lunchen. Zo werd onze kennismaking door de toevallige ontdekking van gemeenschappelijke vrienden na achtentwintig jaar hernieuwd. Bij die gelegenheid heb ik voorgesteld haar lezing uit 1988 in het Nederlands te vertalen. Het opstel zal in het najaar van 2018 in deel tien van de serie Etty Hillesum Studies verschijnen. De vertaling draag ik op aan de geliefde Romeinse Joodse ‘maestra’.

Voor de controle van de Joodse terminologie mijn dank aan Klaas Smelik, die in 1988 onder sprekers van het symposium was.

Nota

De drie romans van Limentani zijn: In contumacia (Bij verstek), 1967; Dentro la D (Binnen de D. – de D staat voor Dàlet, de letter uit het Hebreeuwse alfabet), 1992; La spirale della tigre (De spiraal van de tijger), 2003. Ze werden in 2013 samen uitgegeven onder de titel Trilogia.

Rabbijn Ph. de Vries Mzn, Joodse riten en symbolen, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1968. Voor de geciteerde zin: p. 270.

Zie voor het Trio Lescano: Gabriele Eschenazi, Le regine dello swing. Il Trio Lescano: una storia fra cronaca e costume, Einaudi, Turijn, 2010.

De zusters bleven in Nederland lang onbekend. Toenke Berkelbach maakte een radioportret voor de VPRO. Zie ook wikipedia

Geplaatst in Afscheid, Italiaanse schrijvers | Tags: , , , | 2 reacties

De andersom-rechter. Een Italiaans kinderboek over tegendraads rechtspreken, waarvoor de schrijfster Luciana Breggia inspiratie vond bij Carlo Collodi en Etty Hillesum

Pinokkio was sprakeloos toen de rechter zijn twee als gendarmes verklede honden opdroeg hem in de gevangenis te gooien. Hij was het slachtoffer van de boosdoeners die hem op slinkse wijze vier gouden ducaten afhandig hadden gemaakt. Hij was onschuldig en hij moest nota bene in ‘t kot! De kleine en grote lezers van Collodi’s wereldberoemde verhaal weten dat hij na vier maanden weer vrij kwam en in de restende zeventien hoofdstukken nog een hele reeks fantastische avonturen zou beleven, voor hij aan het einde van het verhaal het brave jongetje van vlees en bloed zou worden.

Maar wie was eigenlijk die rechter en wat was er van hem geworden? In hoofdstuk negentien schrijft Collodi, de rechter is ‘… een gorilla, een heel oude eerbiedwaardige aap, eerbiedwaardig door zijn hoge ouderdom, door zijn witte baard, maar vooral door zijn gouden bril zonder glazen’. We horen van Collodi niets meer over deze merkwaardige vertegenwoordiger van de rechterlijke macht, maar de meeste lezers, geboeid door Pinokkio’s nieuwe avonturen, zullen diens verrassend onrechtvaardige vonnis al wel snel vergeten zijn.

Zo niet Luciana Breggia. Zij publiceert in 2015 bij de Turijnse uitgeverij Einaudi het kinderboek ‘De andersom-rechter’, mijn vertaling van Il giudice alla rovescia. Zij stelt op de eerste pagina’s vast, dat deze rechter, waarop Pinokkio tevergeefs een beroep op had gedaan, toch wel wat vreemd had gehandeld. En bovendien had hij op zekere dag het dorp de rug toegekeerd. Opgestapt. Verdwenen. Waar was hij heengegaan? Niemand kon het zeggen.

Maar, o wonder, op zekere dag verscheen hij in een ander dorp, waar al heel lang geen rechter meer zitting had gehouden en waar volgens de bewoners zo iemand echt heel

De rechter

hard nodig was. Zij vroegen hem te blijven. Hij stemde toe en betrok een comfortabel huis aan de rivier. Dit werd ‘het huis van het recht’ en druk bezocht zoals we zullen zien. Hij bleek nogal veranderd en had onmiskenbaar menselijke trekken gekregen, maar twee attributen uit Pinokkio zijn door de schrijfster gehandhaafd: de bril en het belletje.

De rechter in Breggia’s boek blijkt in alles het tegendeel van de ‘eerbiedwaardige aap’ in Pinokkio, maar het verhaal blijkt vooral, dat hij er een radicaal ander idee over opvoeden op na houdt.

De schrijfster presenteert in vijf hoofdstukjes enkele alledaagse gebeurtenissen: conflicten tussen buren, diefstal en de ruzie tussen twee broers over een erfenis. In de eerste episode ‘De steeneik’ en de derde ‘De antenne’ zijn het de buren die gezamenlijk hun meningsverschillen aan de rechter voorleggen. De eik staat op de grond van de ene buur maar geeft overlast aan de andere omdat hij zeer groot is en over het huis van de tweede buur torent.  Hij belemmert niet alleen het daglicht, zegt de klager, maar laat zijn vallende bladeren en eikels achter op het dak en in de dakgoot. Na de zoveelste woordenwisseling en in aanwezigheid van de rechter, die had besloten de situatie ter plaatse in ogenschouw te nemen, zegt de eigenaar van de boom dat zijn buurman hem dan maar moet kappen, dan wordt de bron van overlast en onenigheid resoluut uit de weg geruimd. De eik reageert geschokt en verdrietig en wendt zijn magische krachten aan om de rechter ervan te overtuigen het dreigende de onheil af te wenden. Met behulp van zijn vriend de wind laat hij een wolk jonge bladeren over hem heendalen. De rechter verbiedt het kappen van de steeneik en vonnist dat de twee mannen voortaan samen voor de boom moeten zorgen, maar dat zij ook van zijn stabiele aanwezigheid moeten genieten: van zijn natuurlijke schoonheid en de koelte waar zijn rijke bladerdek in de warme zomermaanden voor zorgt.

In het verhaal ’De antenne’ gaat het om een ‘vogeldrager’ (portauccelli, een door Breggia bedacht woord): een antenne die met een stel extra buizen is uitgerust waarop zwaluwen kunnen neerstrijken. De jonge vogels gebruiken de buizen als springplank om te leren vliegen, daarbij gecoached door hun ouders, die er op plaatsnemen om op hun gemak ornithologisch van gedachten te wisselen. Dat de antenne in werkelijkheid een vogeldrager zou zijn, beweert het echtpaar op leeftijd, de eigenaars ervan. Hun buurman spreekt echter over een antenne, die niet conform is aan de regels, overlast bezorgt en derhalve verplaatst dient te worden. De rechter besluit dat zij gevieren vanaf het balkon van de klager het vogelgedrag zullen gaan observeren. De klager kwam na enige uren tot het inzicht dat hier inderdaad iets anders aan de hand was. Hij werd zelfs enthousiast over het gedrag van de zwaluwen en besloot zijn klacht in te trekken.

Het thema diefstal wordt in het tweede hoofdstuk uitgewerkt. Een uitgehongerd zestienjarig meisje probeert een streng worstjes te stelen maar wordt gesnapt en door de twee dorpsagenten voor onze rechter geleid. Het drietal wordt vergezeld door luidruchtige dorpelingen, die van het bijna-misdrijf getuige waren geweest. De rechter vraagt of zij het meisje kennen, maar op die precieze vraag blijven zij het antwoord schuldig. Niettemin spreken zij zich over haar uit in stereotypen en vooroordelen die zijn gebaseerd op haar zigeunerachtige uiterlijk. Dan vraagt de rechter de aangeklaagde om haar versie te vertellen. Uit haar verhaal blijkt dat alle dorpelingen hadden geweigerd haar iets te eten en te drinken te geven. In de discussie tussen de rechter en de dorpelingen legt hij uit dat zij het tegenovergestelde hebben gedaan van wat zij hadden moeten doen, namelijk haar helpen. Tot inzicht gekomen besluiten zij het weesmeisje in hun gemeenschap op te nemen.

Uit deze voorbeelden moge blijken op welke manier onze rechter te werk is gegaan. In de andere twee episoden gaat het er niet anders aan toe. Het procedé toont aan dat de aanklagers de werkelijke ‘schuldigen’ zijn. Gebrek aan inzicht in de omstandigheden van de ander, kortzichtigheid, egoïsme en het onvermogen om tot redelijk overleg te komen, brengt ze ertoe zich tot de magistratuur te wenden. Terwijl Collodi zijn personage onschuldig in het gevang laat werpen, worden in het boek van Breggia de aanklagers tot verantwoording geroepen.

Het rechtspreken dat Breggia’s ideale magistraat beoefent, is een vorm van bemiddeling bij conflicten. Hij stimuleert de inwoners van het dorp solidair en in gemeenschappelijk overleg te handelen. Zij moeten voor elkaar zorg en verantwoordelijkheid opbrengen. De rechter maakt de bewoners ervan bewust dat ieder van hen kan bijdragen aan het oplossen van de conflicten die in een gemeenschap van met elkaar samenlevende mensen kunnen ontstaan.

In het zevende hoofdstuk kondigt de rechter zijn vertrek aan. Hij geeft een afscheidsfeestje in de tuin van zijn huis, het huis van het recht, en verklaart uit dat hij met een gerust hart weg kan gaan, want zij zijn nu immers in staat zelf hun conflicten op te lossen. Voor hij opstapt, zegt hij:

Het is moeilijk om precies te zeggen wat we met de gerechtigheid bedoelen, maar het is zeker dat zij alleen kan zegevieren als ze door allen wordt gevoeld en gepractiseerd. Ieder van jullie draagt een klein fragment van haar in zichzelf mee. Ik heb vastgesteld dat jullie nu voldoende hebben geleerd om haar de juiste plaats te geven in de lastige legpuzzel van jullie onderlinge onenigheden en problemen. Mij hebben jullie daarvoor gelukkig niet meer nodig en dat is een goede zaak.

Dat er in ieder mens een stukje gerechtigheid aanwezig zou zijn, doet denken aan Etty Hillesum die meende dat in elk mens een stukje van het Goede aanwezig is. Deze bron van inspiratie is niet vergezocht, aangezien Luciana Breggia in 2011 een boek over haar persoonlijke ervaringen met de lectuur van het dagboek van Hillesum heeft gepubliceerd: ‘Woorden met Etty. Un parcours naar het heden’ (Parole con Etty. Un itinerario verso il presente). Op dit boek kom ik nog terug.

Nota

Luciana Breggia is magistraat en verbonden aan het Gerechtshof van Florence.

De afbeelding van de ‘aap’ is afkomstig uit de reprint van de hieronder genoemde uitgave van 1883, de overige drie uit het boek van Breggia, dat voorbeeldig werd geïllusteerd door Barbara Cantini. Het is volledig in vierkleurendruk uitgevoerd. De illustraties en de tekst vormen een fraaie eenheid.

Carlo Collodi, De avonturen van Pinokkio, 85-86. Vertaald door Delforno. Voor deze vroege editie zie: dbnl voor een pdf van de tweede druk. De oorspronkelijke Italiaanse uitgave: Carlo Collodi, Le avventure di Pinocchio. Storia di un Burattino. Illustrazioni di Enrico Mazzanti, dalla prima edizione del 1883.

De gegevens van het boek: Luciana Breggia, Il giudice alla rovescia, Einaudi, Turijn, 2015, 2e druk maart 2016. isbn 9788866562474.

Geplaatst in Italiaanse schrijvers | Tags: , | Een reactie plaatsen

Fanny Blankers-Koen: een onbekende foto uit 1950

Een paar dagen geleden kreeg ik een oud exemplaar van het maandblad Le Vie d’Italia van de Touring Club Italiano (TCI) onder ogen. De TCI is zeg maar de Italiaanse ANWB en werd opgericht in 1894. Het een bloeiende organisatie gebleven. In 1937 werd tijdens het bewind van Mussolini een kruistocht tegen de buitenlandse namen en termen gehouden en natuurlijk kwam ook de TCI in het vizier. De naam werd veranderd in: Consociazione Turistica Italiana, het eerste woord te vertalen met bijvoorbeeld maatschap of associatie.

Jaargang LVI, n. 19, december 1950.

Het tijdschrift Le Vie d’Italia, De Wegen van Italië, verscheen tussen 1917 en 1968. Na een korte onderbreking van 1943 tot 1945 kwam het in januari 1946 weer op de markt en werd een groot succes, niet in de laatste plaats door de krachtige economische vooruitgang van de jaren 50 en 60 waarin vooral FIAT een groot aandeel leverde.

In het decembernummer dat ik doorbladerde, vond ik een artikel van Bruno Roghi over de Europese zomerspelen van 1950 in Brussel. De auteur bespreekt uitsluitend de grote prestaties van de Italiaanse atleten. Het artikel is rijk geïllustreerd met acht foto’s waaronder deze op pagina 1394:

Het onderschrift bij deze foto luidt: “De Nederlandse Fanny Blankers-Koen, ook wel genoemd de vliegende moeder, heeft in Brussel haar bijzondere talent nog eens getoond. Zij ontvangt gelukwensen van de Italiaan Consolini.”

De Italiaanse atleet Adolfo Consolini (1917-1969) excelleerde in het discuswerpen en is in dit land een beroemdheid.

Al bladerend viel mijn oog op het onderschrift bij de foto en de naam van de Nederlandse atlete, die ik mij alleen maar herinnerde omdat mijn vader – zelf een sportiveling – van zijn onbegrensde bewondering voor haar altijd met kracht had kond gedaan. Het bijschrift onder de foto vond ik nogal vreemd, want de atlete wordt aangeduid met de woorden ‘la mamma volante’, de vliegende moeder. In het Italiaans wordt het bijvoeglijk naamwoord ‘vliegende’ (volante) weliswaar vrij vaak geassocieerd met ‘olandese’ – een verwijzijng naar de populaire opera – en verbaasde mij niet, maar waarom ‘mamma’? Ik kon mij daar in deze context niets bij voorstellen en ben op zoek gegaan naar een verklaring. Zoals vaak het geval is, bracht wikipedia uitkomst: aan beide atleten worden in een flink aantal talen uitgebreide pagina’s gewijd waaruit ik het volgende heb opgestoken.

De bijnaam ‘De vliegende huisvrouw’ werd haar toegedicht omdat zij na de bevalling van haar tweede kind binnen enkele maanden weer begon met trainen en ook deelnam aan wedstrijden. In het Engels werd zij met ‘The Flying Housewife’ aangeduid, en in het Italiaans werd dat ‘La mamma volante’, de huisvrouw was tot moeder geworden. Ik vond ook nog het verkleinwoord ‘mammina’, dat staat voor moedertje. Vooral met het gebruik van dit laatste Italiaanse woord laat je weten hoeveel je van haar houdt.

Ik neem aan dat deze foto in Nederland onbekend is. Hopelijk doe ik er iemand – behalve postuum mijn vader – een plezier mee.

Geplaatst in Italiaanse identiteit, Uncategorized | Tags: | Een reactie plaatsen

De pantoffels van Natalia Ginzburg

In mijn familie had de zin ‘We gaan wel naar de Chinees’ een precieze betekenis. De formule werd meestal door mijn moeder uitgesproken, want in het gezin besliste zij over deze zaken. Het bezoek aan ‘de Chinees’ in de Van Woustraat in Amsterdam-Zuid, waar vandaan een van ons terugkwam met de bekende witte plastic tasjes, wekte bij niemand in de buurt opzien. Na de verhuizing naar Noord-Brabant, waar mijn ouders terugkeerden naar hun beider geboortedorp, kon deze periodieke menu-wisseling doorgaan, want daar was ook een Chinees restaurant gevestigd. De rest van de familie keek echter met een licht wantrouwen tegen dit type voeding aan. Ik kan mij niet herinneren deze oosterse dis ooit op tafel te hebben gezien bij de tweelingzus van mijn moeder. Bij mijn tante thuis kreeg je de voorn die haar man in de Biesbosch had gevangen, in de roeiboot schoongemaakt en in de schuur geduldig gebakken. Een onaantastbare familietraditie.

Bij mij thuis liepen allerlei dingen anders. Met hun eerstgeborene waren mijn jonge ouders na de oorlog naar Nederlands-Indië vertrokken. Een ongeluk dwong het gezin tot een onvoorziene terugkeer. Ditmaal met zijn vieren, want kort voor het vertrek richting Rotterdam werd ik door mijn moeder in Soerabaja ter wereld gebracht. De ervaring van enkele jaren in de voormalige kolonie heeft ervoor gezorgd, dat vooroordelen tegen de inheemse oosterse keuken in ons gezin nooit een plaatsje hebben gekregen.

Het wantrouwen waarmee mijn tante tegen ‘de Chinees’ aankeek, kwam ik opnieuw tegen in Rome. Vrij snel heb ik mij deze culinaire vooroordelen ongemerkt eigen gemaakt en de keren dat ik in de afgelopen decennia in een Chinees restaurant heb gegeten, gaan de vingers van één hand niet te boven.

Eergisteren vermengde zich in mijn geheugen de naam ‘Hao Yun 168’ met de hier beschreven herinneringen. Het Chinese ‘hǎoyùn’ betekent ‘veel geluk’, en zo heet ook de winkel (met de omvang van een loods) waar ik tegenwoordig met een zekere regelmaat binnenga. Je kunt er niet eten, maar wel allerlei nuttige dingen aanschaffen, zoals kleding en schoeisel, batterijen en aanstekers, en indien nodig een paar Italiaanse pantoffels. Het adjectief ‘Italiaans’ staat er niet toevallig, want veel van wat je koopt bij ‘de Chinees’ wordt vandaag de dag geproduceerd in Italië. Door de enorme winkel zwervend, dacht ik dat het geluk mij in de steek had gelaten, want er was geen pantoffel te bekennen. Daarop schoot mij het fragment van Natalia Ginzburg te binnen, dat ik paar dagen geleden in een opstel had gelezen:

Dan worden ook de ouders wakker. Ze staan op en komen ongekamd en blootsvoets de keuken binnen. Ze dragen geen pantoffels en hebben natuurlijk niet gekeken of er soms een paar onder het bed stonden. De oude moeder vraagt zich af hoe lang de pantoffel-industrie het nog volhoudt, want de mensen schijnen ze niet meer nodig te hebben. Verdoofd van de slaap zoeken de jonge ouders naar brood en kopjes. Een lang ontbijt zonder koffieverkeerd begint: het lijkt alsof de koffieverkeerd net als de pantoffels van de aardbodem gaat verdwijnen. Hier domineren roereieren en flesjes vruchtensap: en op het brood wordt een afzichtelijke, donkere en vette substantie gesmeerd.

Deze mooie alinea heb ik vertaald uit het hoofdstuk ‘Huishoudelijk werk’, dat in augustus 1969 als column was verschenen in het Turijnse dagblad La Stampa. Het werd in november 1970 herdrukt in de bundel Mai devi domandarmi, die in al april 1970 een vijfde druk beleefde! (De titel is geïnspireerd op Lohengrins ‘Nie sollst du mich befragen’, in de gelijknamige opera van Wagner.) Of het is opgenomen in de door Etta Maris vertaalde selectie Mensen om mee te praten, Meulenhoff, 1990, is mij (nog) niet bekend. De aan Ginzburg gewijde Nederlandse wiki-pagina geeft daarover geen uitsluitsel.

De hoofdpersoon van dit korte verhaal is een oude moeder die verslagen aanziet hoe de traditionele opvoeding, die haar slechts weldaad heeft gebracht, door haar kinderen volledig wordt genegeerd. De nieuwlichters verbieden haar zelfs om ’s morgens de vloer te dweilen, een nobel dagelijks gebruik waarmee zij was opgegroeid en waaraan zij direct begon, nadat zij háár kroost grondig had gewassen, gekleed en gevoed met het traditionele ‘caffellatte’ en ‘biscotti’ ontbijt, de frisse ochtendzon had ingestuurd. Afgrijzen boezemt haar in de ‘donkere en vette substantie’ die op het brood wordt gesmeerd. Zij keert zich hier tegen de in 1964 op de markt gebrachte Nutella, die naar haar overtuiging een funeste uitwerking op de Italiaanse kinderen zal hebben.

De krantenstukjes van Natalia Ginzburg veroorzaakten in die jaren altijd grote ophef en verdeelden de Italiaanse lezers in twee kampen. De schrijver Enzo Siciliano stelde in een gesprek met de schrijfster, uitgezonden door de radio in mei 1990, vast: ‘Of je

Natalia Ginzburg in Rome.

was vóór, of je was tégen Natalia Ginzburg’. (pp. 206-7) Het omstreden thema in ‘Huishoudelijk werk’ is de opvoeding, dat bijna altijd is verbonden met de ervaringen van de vorige generatie en voor schrijvers een bron van inspiratie. Ginzburg, moeder van drie kinderen, zegt even later tijdens hetzelfde gesprek: ‘… ik denk dat opvoeden heel moeilijk is. Dat de opvoeding zeer moeilijk, misschien zelfs onmogelijk is, en dat je het altijd fout doet.’ (p. 219) (Uit: Natalia Ginzburg, È difficile parlare di sé. Conversazione a più voci condotta da Marino Sinibaldi, Einaudi, Turijn, 1999. [Natalia Ginzburg, Het is moeilijk over jezelf te spreken. Gesprekken met NG en anderen, geleid door Marino Sinibaldi.])

Geplaatst in Italiaanse schrijvers, Uncategorized | Tags: , | 1 reactie