De andersom-rechter. Een Italiaans kinderboek over tegendraads rechtspreken, waarvoor de schrijfster Luciana Breggia inspiratie vond bij Carlo Collodi en Etty Hillesum

Pinokkio was sprakeloos toen de rechter zijn twee als gendarmes verklede honden opdroeg hem in de gevangenis te gooien. Hij was het slachtoffer van de boosdoeners die hem op slinkse wijze vier gouden ducaten afhandig hadden gemaakt. Hij was onschuldig en hij moest nota bene in ‘t kot! De kleine en grote lezers van Collodi’s wereldberoemde verhaal weten dat hij na vier maanden weer vrij kwam en in de restende zeventien hoofdstukken nog een hele reeks fantastische avonturen zou beleven, voor hij aan het einde van het verhaal het brave jongetje van vlees en bloed zou worden.

Maar wie was eigenlijk die rechter en wat was er van hem geworden? In hoofdstuk negentien schrijft Collodi, de rechter is ‘… een gorilla, een heel oude eerbiedwaardige aap, eerbiedwaardig door zijn hoge ouderdom, door zijn witte baard, maar vooral door zijn gouden bril zonder glazen’. We horen van Collodi niets meer over deze merkwaardige vertegenwoordiger van de rechterlijke macht, maar de meeste lezers, geboeid door Pinokkio’s nieuwe avonturen, zullen diens verrassend onrechtvaardige vonnis al wel snel vergeten zijn.

Zo niet Luciana Breggia. Zij publiceert in 2015 bij de Turijnse uitgeverij Einaudi het kinderboek ‘De andersom-rechter’, mijn vertaling van Il giudice alla rovescia. Zij stelt op de eerste pagina’s vast, dat deze rechter, waarop Pinokkio tevergeefs een beroep op had gedaan, toch wel wat vreemd had gehandeld. En bovendien had hij op zekere dag het dorp de rug toegekeerd. Opgestapt. Verdwenen. Waar was hij heengegaan? Niemand kon het zeggen.

Maar, o wonder, op zekere dag verscheen hij in een ander dorp, waar al heel lang geen rechter meer zitting had gehouden en waar volgens de bewoners zo iemand echt heel

De rechter

hard nodig was. Zij vroegen hem te blijven. Hij stemde toe en betrok een comfortabel huis aan de rivier. Dit werd ‘het huis van het recht’ en druk bezocht zoals we zullen zien. Hij bleek nogal veranderd en had onmiskenbaar menselijke trekken gekregen, maar twee attributen uit Pinokkio zijn door de schrijfster gehandhaafd: de bril en het belletje.

De rechter in Breggia’s boek blijkt in alles het tegendeel van de ‘eerbiedwaardige aap’ in Pinokkio, maar het verhaal blijkt vooral, dat hij er een radicaal ander idee over opvoeden op na houdt.

De schrijfster presenteert in vijf hoofdstukjes enkele alledaagse gebeurtenissen: conflicten tussen buren, diefstal en de ruzie tussen twee broers over een erfenis. In de eerste episode ‘De steeneik’ en de derde ‘De antenne’ zijn het de buren die gezamenlijk hun meningsverschillen aan de rechter voorleggen. De eik staat op de grond van de ene buur maar geeft overlast aan de andere omdat hij zeer groot is en over het huis van de tweede buur torent.  Hij belemmert niet alleen het daglicht, zegt de klager, maar laat zijn vallende bladeren en eikels achter op het dak en in de dakgoot. Na de zoveelste woordenwisseling en in aanwezigheid van de rechter, die had besloten de situatie ter plaatse in ogenschouw te nemen, zegt de eigenaar van de boom dat zijn buurman hem dan maar moet kappen, dan wordt de bron van overlast en onenigheid resoluut uit de weg geruimd. De eik reageert geschokt en verdrietig en wendt zijn magische krachten aan om de rechter ervan te overtuigen het dreigende de onheil af te wenden. Met behulp van zijn vriend de wind laat hij een wolk jonge bladeren over hem heendalen. De rechter verbiedt het kappen van de steeneik en vonnist dat de twee mannen voortaan samen voor de boom moeten zorgen, maar dat zij ook van zijn stabiele aanwezigheid moeten genieten: van zijn natuurlijke schoonheid en de koelte waar zijn rijke bladerdek in de warme zomermaanden voor zorgt.

In het verhaal ’De antenne’ gaat het om een ‘vogeldrager’ (portauccelli, een door Breggia bedacht woord): een antenne die met een stel extra buizen is uitgerust waarop zwaluwen kunnen neerstrijken. De jonge vogels gebruiken de buizen als springplank om te leren vliegen, daarbij gecoached door hun ouders, die er op plaatsnemen om op hun gemak ornithologisch van gedachten te wisselen. Dat de antenne in werkelijkheid een vogeldrager zou zijn, beweert het echtpaar op leeftijd, de eigenaars ervan. Hun buurman spreekt echter over een antenne, die niet conform is aan de regels, overlast bezorgt en derhalve verplaatst dient te worden. De rechter besluit dat zij gevieren vanaf het balkon van de klager het vogelgedrag zullen gaan observeren. De klager kwam na enige uren tot het inzicht dat hier inderdaad iets anders aan de hand was. Hij werd zelfs enthousiast over het gedrag van de zwaluwen en besloot zijn klacht in te trekken.

Het thema diefstal wordt in het tweede hoofdstuk uitgewerkt. Een uitgehongerd zestienjarig meisje probeert een streng worstjes te stelen maar wordt gesnapt en door de twee dorpsagenten voor onze rechter geleid. Het drietal wordt vergezeld door luidruchtige dorpelingen, die van het bijna-misdrijf getuige waren geweest. De rechter vraagt of zij het meisje kennen, maar op die precieze vraag blijven zij het antwoord schuldig. Niettemin spreken zij zich over haar uit in stereotypen en vooroordelen die zijn gebaseerd op haar zigeunerachtige uiterlijk. Dan vraagt de rechter de aangeklaagde om haar versie te vertellen. Uit haar verhaal blijkt dat alle dorpelingen hadden geweigerd haar iets te eten en te drinken te geven. In de discussie tussen de rechter en de dorpelingen legt hij uit dat zij het tegenovergestelde hebben gedaan van wat zij hadden moeten doen, namelijk haar helpen. Tot inzicht gekomen besluiten zij het weesmeisje in hun gemeenschap op te nemen.

Uit deze voorbeelden moge blijken op welke manier onze rechter te werk is gegaan. In de andere twee episoden gaat het er niet anders aan toe. Het procedé toont aan dat de aanklagers de werkelijke ‘schuldigen’ zijn. Gebrek aan inzicht in de omstandigheden van de ander, kortzichtigheid, egoïsme en het onvermogen om tot redelijk overleg te komen, brengt ze ertoe zich tot de magistratuur te wenden. Terwijl Collodi zijn personage onschuldig in het gevang laat werpen, worden in het boek van Breggia de aanklagers tot verantwoording geroepen.

Het rechtspreken dat Breggia’s ideale magistraat beoefent, is een vorm van bemiddeling bij conflicten. Hij stimuleert de inwoners van het dorp solidair en in gemeenschappelijk overleg te handelen. Zij moeten voor elkaar zorg en verantwoordelijkheid opbrengen. De rechter maakt de bewoners ervan bewust dat ieder van hen kan bijdragen aan het oplossen van de conflicten die in een gemeenschap van met elkaar samenlevende mensen kunnen ontstaan.

In het zevende hoofdstuk kondigt de rechter zijn vertrek aan. Hij geeft een afscheidsfeestje in de tuin van zijn huis, het huis van het recht, en verklaart uit dat hij met een gerust hart weg kan gaan, want zij zijn nu immers in staat zelf hun conflicten op te lossen. Voor hij opstapt, zegt hij:

Het is moeilijk om precies te zeggen wat we met de gerechtigheid bedoelen, maar het is zeker dat zij alleen kan zegevieren als ze door allen wordt gevoeld en gepractiseerd. Ieder van jullie draagt een klein fragment van haar in zichzelf mee. Ik heb vastgesteld dat jullie nu voldoende hebben geleerd om haar de juiste plaats te geven in de lastige legpuzzel van jullie onderlinge onenigheden en problemen. Mij hebben jullie daarvoor gelukkig niet meer nodig en dat is een goede zaak.

Dat er in ieder mens een stukje gerechtigheid aanwezig zou zijn, doet denken aan Etty Hillesum die meende dat in elk mens een stukje van het Goede aanwezig is. Deze bron van inspiratie is niet vergezocht, aangezien Luciana Breggia in 2011 een boek over haar persoonlijke ervaringen met de lectuur van het dagboek van Hillesum heeft gepubliceerd: ‘Woorden met Etty. Un parcours naar het heden’ (Parole con Etty. Un itinerario verso il presente). Op dit boek kom ik nog terug.

Nota

Luciana Breggia is magistraat en verbonden aan het Gerechtshof van Florence.

De afbeelding van de ‘aap’ is afkomstig uit de reprint van de hieronder genoemde uitgave van 1883, de overige drie uit het boek van Breggia, dat voorbeeldig werd geïllusteerd door Barbara Cantini. Het is volledig in vierkleurendruk uitgevoerd. De illustraties en de tekst vormen een fraaie eenheid.

Carlo Collodi, De avonturen van Pinokkio, 85-86. Vertaald door Delforno. Voor deze vroege editie zie: dbnl voor een pdf van de tweede druk. De oorspronkelijke Italiaanse uitgave: Carlo Collodi, Le avventure di Pinocchio. Storia di un Burattino. Illustrazioni di Enrico Mazzanti, dalla prima edizione del 1883.

De gegevens van het boek: Luciana Breggia, Il giudice alla rovescia, Einaudi, Turijn, 2015, 2e druk maart 2016. isbn 9788866562474.

Advertenties
Geplaatst in Italiaanse schrijvers | Tags: , | Een reactie plaatsen

Fanny Blankers-Koen: een onbekende foto uit 1950

Een paar dagen geleden kreeg ik een oud exemplaar van het maandblad Le Vie d’Italia van de Touring Club Italiano (TCI) onder ogen. De TCI is zeg maar de Italiaanse ANWB en werd opgericht in 1894. Het een bloeiende organisatie gebleven. In 1937 werd tijdens het bewind van Mussolini een kruistocht tegen de buitenlandse namen en termen gehouden en natuurlijk kwam ook de TCI in het vizier. De naam werd veranderd in: Consociazione Turistica Italiana, het eerste woord te vertalen met bijvoorbeeld maatschap of associatie.

Jaargang LVI, n. 19, december 1950.

Het tijdschrift Le Vie d’Italia, De Wegen van Italië, verscheen tussen 1917 en 1968. Na een korte onderbreking van 1943 tot 1945 kwam het in januari 1946 weer op de markt en werd een groot succes, niet in de laatste plaats door de krachtige economische vooruitgang van de jaren 50 en 60 waarin vooral FIAT een groot aandeel leverde.

In het decembernummer dat ik doorbladerde, vond ik een artikel van Bruno Roghi over de Europese zomerspelen van 1950 in Brussel. De auteur bespreekt uitsluitend de grote prestaties van de Italiaanse atleten. Het artikel is rijk geïllustreerd met acht foto’s waaronder deze op pagina 1394:

Het onderschrift bij deze foto luidt: “De Nederlandse Fanny Blankers-Koen, ook wel genoemd de vliegende moeder, heeft in Brussel haar bijzondere talent nog eens getoond. Zij ontvangt gelukwensen van de Italiaan Consolini.”

De Italiaanse atleet Adolfo Consolini (1917-1969) excelleerde in het discuswerpen en is in dit land een beroemdheid.

Al bladerend viel mijn oog op het onderschrift bij de foto en de naam van de Nederlandse atlete, die ik mij alleen maar herinnerde omdat mijn vader – zelf een sportiveling – van zijn onbegrensde bewondering voor haar altijd met kracht had kond gedaan. Het bijschrift onder de foto vond ik nogal vreemd, want de atlete wordt aangeduid met de woorden ‘la mamma volante’, de vliegende moeder. In het Italiaans wordt het bijvoeglijk naamwoord ‘vliegende’ (volante) weliswaar vrij vaak geassocieerd met ‘olandese’ – een verwijzijng naar de populaire opera – en verbaasde mij niet, maar waarom ‘mamma’? Ik kon mij daar in deze context niets bij voorstellen en ben op zoek gegaan naar een verklaring. Zoals vaak het geval is, bracht wikipedia uitkomst: aan beide atleten worden in een flink aantal talen uitgebreide pagina’s gewijd waaruit ik het volgende heb opgestoken.

De bijnaam ‘De vliegende huisvrouw’ werd haar toegedicht omdat zij na de bevalling van haar tweede kind binnen enkele maanden weer begon met trainen en ook deelnam aan wedstrijden. In het Engels werd zij met ‘The Flying Housewife’ aangeduid, en in het Italiaans werd dat ‘La mamma volante’, de huisvrouw was tot moeder geworden. Ik vond ook nog het verkleinwoord ‘mammina’, dat staat voor moedertje. Vooral met het gebruik van dit laatste Italiaanse woord laat je weten hoeveel je van haar houdt.

Ik neem aan dat deze foto in Nederland onbekend is. Hopelijk doe ik er iemand – behalve postuum mijn vader – een plezier mee.

Geplaatst in Italiaanse identiteit, Uncategorized | Tags: | Een reactie plaatsen

De pantoffels van Natalia Ginzburg

In mijn familie had de zin ‘We gaan wel naar de Chinees’ een precieze betekenis. De formule werd meestal door mijn moeder uitgesproken, want in het gezin besliste zij over deze zaken. Het bezoek aan ‘de Chinees’ in de Van Woustraat in Amsterdam-Zuid, waar vandaan een van ons terugkwam met de bekende witte plastic tasjes, wekte bij niemand in de buurt opzien. Na de verhuizing naar Noord-Brabant, waar mijn ouders terugkeerden naar hun beider geboortedorp, kon deze periodieke menu-wisseling doorgaan, want daar was ook een Chinees restaurant gevestigd. De rest van de familie keek echter met een licht wantrouwen tegen dit type voeding aan. Ik kan mij niet herinneren deze oosterse dis ooit op tafel te hebben gezien bij de tweelingzus van mijn moeder. Bij mijn tante thuis kreeg je de voorn die haar man in de Biesbosch had gevangen, in de roeiboot schoongemaakt en in de schuur geduldig gebakken. Een onaantastbare familietraditie.

Bij mij thuis liepen allerlei dingen anders. Met hun eerstgeborene waren mijn jonge ouders na de oorlog naar Nederlands-Indië vertrokken. Een ongeluk dwong het gezin tot een onvoorziene terugkeer. Ditmaal met zijn vieren, want kort voor het vertrek richting Rotterdam werd ik door mijn moeder in Soerabaja ter wereld gebracht. De ervaring van enkele jaren in de voormalige kolonie heeft ervoor gezorgd, dat vooroordelen tegen de inheemse oosterse keuken in ons gezin nooit een plaatsje hebben gekregen.

Het wantrouwen waarmee mijn tante tegen ‘de Chinees’ aankeek, kwam ik opnieuw tegen in Rome. Vrij snel heb ik mij deze culinaire vooroordelen ongemerkt eigen gemaakt en de keren dat ik in de afgelopen decennia in een Chinees restaurant heb gegeten, gaan de vingers van één hand niet te boven.

Eergisteren vermengde zich in mijn geheugen de naam ‘Hao Yun 168’ met de hier beschreven herinneringen. Het Chinese ‘hǎoyùn’ betekent ‘veel geluk’, en zo heet ook de winkel (met de omvang van een loods) waar ik tegenwoordig met een zekere regelmaat binnenga. Je kunt er niet eten, maar wel allerlei nuttige dingen aanschaffen, zoals kleding en schoeisel, batterijen en aanstekers, en indien nodig een paar Italiaanse pantoffels. Het adjectief ‘Italiaans’ staat er niet toevallig, want veel van wat je koopt bij ‘de Chinees’ wordt vandaag de dag geproduceerd in Italië. Door de enorme winkel zwervend, dacht ik dat het geluk mij in de steek had gelaten, want er was geen pantoffel te bekennen. Daarop schoot mij het fragment van Natalia Ginzburg te binnen, dat ik paar dagen geleden in een opstel had gelezen:

Dan worden ook de ouders wakker. Ze staan op en komen ongekamd en blootsvoets de keuken binnen. Ze dragen geen pantoffels en hebben natuurlijk niet gekeken of er soms een paar onder het bed stonden. De oude moeder vraagt zich af hoe lang de pantoffel-industrie het nog volhoudt, want de mensen schijnen ze niet meer nodig te hebben. Verdoofd van de slaap zoeken de jonge ouders naar brood en kopjes. Een lang ontbijt zonder koffieverkeerd begint: het lijkt alsof de koffieverkeerd net als de pantoffels van de aardbodem gaat verdwijnen. Hier domineren roereieren en flesjes vruchtensap: en op het brood wordt een afzichtelijke, donkere en vette substantie gesmeerd.

Deze mooie alinea heb ik vertaald uit het hoofdstuk ‘Huishoudelijk werk’, dat in augustus 1969 als column was verschenen in het Turijnse dagblad La Stampa. Het werd in november 1970 herdrukt in de bundel Mai devi domandarmi, die in al april 1970 een vijfde druk beleefde! (De titel is geïnspireerd op Lohengrins ‘Nie sollst du mich befragen’, in de gelijknamige opera van Wagner.) Of het is opgenomen in de door Etta Maris vertaalde selectie Mensen om mee te praten, Meulenhoff, 1990, is mij (nog) niet bekend. De aan Ginzburg gewijde Nederlandse wiki-pagina geeft daarover geen uitsluitsel.

De hoofdpersoon van dit korte verhaal is een oude moeder die verslagen aanziet hoe de traditionele opvoeding, die haar slechts weldaad heeft gebracht, door haar kinderen volledig wordt genegeerd. De nieuwlichters verbieden haar zelfs om ’s morgens de vloer te dweilen, een nobel dagelijks gebruik waarmee zij was opgegroeid en waaraan zij direct begon, nadat zij háár kroost grondig had gewassen, gekleed en gevoed met het traditionele ‘caffellatte’ en ‘biscotti’ ontbijt, de frisse ochtendzon had ingestuurd. Afgrijzen boezemt haar in de ‘donkere en vette substantie’ die op het brood wordt gesmeerd. Zij keert zich hier tegen de in 1964 op de markt gebrachte Nutella, die naar haar overtuiging een funeste uitwerking op de Italiaanse kinderen zal hebben.

De krantenstukjes van Natalia Ginzburg veroorzaakten in die jaren altijd grote ophef en verdeelden de Italiaanse lezers in twee kampen. De schrijver Enzo Siciliano stelde in een gesprek met de schrijfster, uitgezonden door de radio in mei 1990, vast: ‘Of je

Natalia Ginzburg in Rome.

was vóór, of je was tégen Natalia Ginzburg’. (pp. 206-7) Het omstreden thema in ‘Huishoudelijk werk’ is de opvoeding, dat bijna altijd is verbonden met de ervaringen van de vorige generatie en voor schrijvers een bron van inspiratie. Ginzburg, moeder van drie kinderen, zegt even later tijdens hetzelfde gesprek: ‘… ik denk dat opvoeden heel moeilijk is. Dat de opvoeding zeer moeilijk, misschien zelfs onmogelijk is, en dat je het altijd fout doet.’ (p. 219) (Uit: Natalia Ginzburg, È difficile parlare di sé. Conversazione a più voci condotta da Marino Sinibaldi, Einaudi, Turijn, 1999. [Natalia Ginzburg, Het is moeilijk over jezelf te spreken. Gesprekken met NG en anderen, geleid door Marino Sinibaldi.])

Geplaatst in Italiaanse schrijvers, Uncategorized | Tags: , | 1 reactie

Etty Hillesum in tien liederen. Het vertrek op 7 september 1943 uit kamp Westerbork verteld in een Italiaans kinderboek

De Italiaanse schrijver en hebraïst Matteo Corradini heeft in februari 2017 een voor jeugdige lezers gedacht boek over Etty Hillesum  gepubliceerd. Het is alleen in het Italiaans  beschikbaar en daarom geef ik eerst een werkvertaling van de titel: ‘Wij zijn zingende vertrokken. Etty Hillesum, een trein, tien liederen.’ [Siamo partiti cantando. Etty Hillesum, un treno, dieci canzoni, Palermo, rueBallu edizioni, 2017. Illustraties van Vittoria Facchini.] Corradini is niet de eerste die een zinssnede van Etty Hillesum gebruikt voor de titel van een boek over haar. Ik moest denken aan het in 2003 uitgekomen ‘Wachten jullie op mij?, samengesteld door Ria van den Brandt en Klaas Smelik, en waarvan in 2016 een nieuwe sterk uitgebreide editie beschikbaar kwam. Een vroeg Italiaans voorbeeld is het boek uit 1998 van Graziella Merlatti, die de woorden ‘denkend hart’ (Het Werk, 545) in de titel had opgenomen, en Isabella Adinolfi, die ‘een onneembare vesting’ (Het Werk, 518) heeft gebruikt voor de titel van haar boek uit 2011.

Corradini benut de zin ‘Wij zijn zingende uit dit kamp vertrokken […]’, die we kunnen lezen in Hillesums laatste ons bekende getuigenis: de briefkaart van 7 september 1943 aan Christine van Nooten (Het Werk, 702). Het was een gewoonte geworden om briefkaarten uit de deportatietrein te werpen. Op Etty Hillesums kaart van 7 september 1943 staat het poststempel van Glimmen, dat in de buurt van Haren ligt, een station op de spoorlijn Zwolle-Groningen. Sinds de jaren twintig was daar een aftakking voor het baanvak richting Nieuweschans gemaakt en dat gaf de gelegenheid – de trein reed immers langzaam vanwege de wissel – om kaarten uit de wagons te gooien. Ze werden door omwonenden opgeraapt en gepost.

De Italiaanse versie van de zinsnede ‘wij zijn zingende […] vertrokken’ luidt: ‘siamo partiti cantando’ en is bijzonder geschikt als titel voor een boek, niet in het minst vanwege de precieze en mooie vertaling. Minder elegant vind ik, dat de auteur de vertaalster Chiara Passanti niet noemt. Van haar hand zijn de eerste Italiaanse vertalingen van de selecties uit Hillesums dagboeken (It. ed., 1985) en brieven (It. ed., 1986). En van haar is dus ook de vertaling van de briefkaart. In zijn boek ontbreekt trouwens elke verwijzing, noch naar de integrale Italiaanse edities van Etty Hillesums werken, noch naar andere bronnen en teksten.

Om de woorden uit de briefkaart draait heel het boek van Corradini, dus in feite om het vertrek van Etty Hillesum, haar ouders en Mischa op dinsdag 7 september 1943. Hij heeft het eerste introducerende hoofdstuk ‘Vaarwel’ genoemd, en het afsluitende twaalfde ‘Gebed’; tezamen vormen zij het kader waarbinnen het verhaal zich in tien hoofdstukjes voltrekt. Corradini kiest niet voor een anonieme verteller, maar voor ik-persoon, die de lezer, klein of groot, vanaf de eerste zinnen gemakkelijk kan herkennen als Etty Hillesum. Het resultaat is een naar de vorm autobiografische tekst, geschreven door iemand die zich in een trein bevindt en af en toe melding maakt van wat zij ziet als ze naar buiten kijkt, maar die vooral haar herinneringen aan geliefde personen, plaatsen en gebeurtenissen uit haar recente verleden aan het papier toevertrouwt. In deze zin sluit dit boek mooi aan op de authentieke dagboekteksten die voor Corradini de inspiratiebron waren.

Zijn boek opent met de zin: ‘Ik weet niet meer welk lied het was, maar we zijn zingend vertrokken.’ (15) Op de vraag die de auteur in deze zin heeft verpakt, worden tien antwoorden gegeven in de tien hoofdstukjes die hij liederen heeft genoemd en zijn opgebouwd uit een kort stukje proza, waarin het onderwerp ter sprake wordt gebracht en dat vervolgens uitgewerkt wordt in paragraafjes die ‘strofe’, ‘refrein’ en soms ‘variant’ heten. Zo ontstaat een hechte en zorgvuldig gestructureerde narratio waarin de treinreis en het eindpunt – dat niet wordt genoemd, maar we weten allemaal wat het eindstation was – voor een uitnodigende spanningsboog zorgen.

Na het eerste ‘Lied over de boom’ volgt het ‘Lied over het portret’ (Julius Spier), over ‘de zee’ (Mischa), over ‘schoonheid en  domheid’ (Etty Hillesum), over ‘de handen’ (Spier), over ‘de heide’ (kamp Westerbork), over ‘het nachthemd’ (de nacht voor het vertrek), ‘de maan’, ‘het potlood’ (schrijven) en het tiende lied gaat over ‘het huis’ (de wereld). Het zijn belangrijke thema’s in Hillesums dagboek.

Het aantal liederen is bepaald op tien, maar zou gemakkelijk kunnen groeien, want uit niets blijkt een dwingende logica die dat  aantal zou voorschrijven. De beperking wordt mijns inziens ingegeven door de omvang die de uitgever voor de serie ‘Jeunesse ottopiù’ heeft vastgesteld en waarvan de naam een indicatie is voor de doelgroep: kinderen van acht jaar en ouder. Corradini had overigens in 2015 al een boek over Chopin in dezelfde reeks gepubliceerd, dat volgens hetzelfde strakke schema is opgezet.

De twaalf kleurenillustraties van Vittoria Facchini richten zich eveneens op deze leeftijdsgroep. De Etty Hillesum die zij afbeeldt, is niet een vrouw van 29 jaar, maar een tiener. Waar het een jeugdherinnering betreft, zou dit nog aannemelijk zijn, maar in veel gevallen ontstaat er een zekere discrepantie. Hillesum was immers ver in de twintig toen zij het dagboek schreef en de 29 lang voorbij op de dag dat zij werd gedeporteerd.

Corradini vertelt aan zijn jeugdige lezers het verhaal van het vertrek, de reis, maar vooral wat Etty Hillesum dacht en voelde.         Aan de hand van twee thema’s zal ik onderzoeken of hij daarin naar mijn mening is geslaagd. Eerst bespreek ik de rol van Julius Spier en daarna het thema van de boom. Beide onderwerpen doortrekken heel het verhaal en lenen zich daarom voor verdieping.

Het lied van de handen
Dit boek doet recht aan Julius Spier. In de vroegere Italiaanse Hillesum-receptie werd hij veelal als een ‘oplichter’ terzijde geschoven. Men kwam vrij snel tot dat oordeel, omdat tot 2012 alleen de tekst van de eerste dagboekselectie beschikbaar was, waarbij bovendien bedacht moet worden, dat een groot deel van de tekst van het eerste dagboekcahier was geschrapt door de toenmalige bureauredacteur van Adelphi, want irrelevant geacht. Met de publicatie in november 2012 van het volledige dagboek in het Italiaans zijn de gronden voor dit type oordeelsvorming weggenomen.

In het zesde hoofdstuk, het ‘Lied van de handen’, legt Corradini’s Etty Hillesum gedetailleerd uit hoe zij bij Spier de afdrukken van haar handen maakte en beschrijft het resultaat: ‘Een precies en zwart teken, met microscopische lijnen, duizenden tekens: het waren mijn handen. Het was mijn geschiedenis. Niet mijn toekomst, nee: S. was geen oplichter. Hij  sprak over het heden, niet over de toekomst.’ (64) Aanvankelijk was zij zeer sceptisch over de pretentie van de psychochiroloog dat hij via de handen iets zinnigs over iemands innerlijk zou kunnen zeggen. Kritisch schrijft  Corradini/Hillesum: ‘Hoe kun je iets zeggen over hoe een huis is gemeubileerd, als je alleen de voordeur ziet? Dat is absurd.’ Maar dan – ik parafraseer – maakt ze de vergelijking met een kers die Spier in haar hand legt. Hij zag glimlachend toe, omdat ik wist hoe een kers smaakt en waar zij groeit. Een blik op de buitenkant van de vrucht was voldoende. (62-62) Deze vergelijking lijkt me enigszins gewaagd, maar is in het verhaal functioneel, omdat het haar twijfels omtrent Spier wegneemt. Maar Corradini gaat nog een stap verder: Hillesums handafdrukken op het papier worden in het laatste refrein geassocieerd met handen op een landkaart. En daarmee doet de oorlog zijn intrede, want op die kaart is het front aangegeven, de reis naar het oosten, de grenzen die de trein is gepasseerd, de nazi’s (67) die dit alles hebben georganiseerd. ‘Ik volg met mijn vingers de contouren van de horizon, voor me zie ik de bruggen, de kanalen, de heuvels en ga er met mijn vingers langs. En dan de kampen, en ik probeer de ons welgezinde personen tussen de struiken te onderscheiden. Maar het lukt mijn handen niet eens om de deuren van deze wagon openen, laat staan dat ze iets zouden kunnen veranderen. Ieder van ons is het front. En de toekomst is niet geschreven in onze handen, maar is waar men ons heenvoert.’

In luttele pagina’s maakt Corradini door zijn verhalende tekst een serie onderwerpen inzichtelijk, die in een zakelijke tekst veel uitleg zouden vergen en beperkt toegankelijk zou zijn. In het derde hoofdstuk, ‘Lied over het portret’, is de liefde tussen Spier en Hillesum het uitgangspunt. Maar wie over de liefde vertelt, komt al snel op het hart. Dat schept de ruimte om ‘het denkende hart van de barak’ ter sprake te brengen. Maar eerst wordt Spier voorgesteld en uitgelegd wat een chiroloog doet: ‘hij bekijkt je handen om te kunnen begrijpen wat er in je hoofd gebeurt’. (33) De verbinding tussen Spier en het denkende–hart–thema wordt gelegd, als Hillesum in haar schaarsverlichte kamer op een foto zijn gelaat aanschouwt, en waardoor zij de ervaring heeft, dat er in haar innerlijk een licht wordt ontstoken. In kamp Westerbork komt deze dankzij Spier verworven innerlijke kracht of inspiratie tot vorm in de zo frequent geciteerde zin ‘Het denkende hart van de barak.’ (Het Werk, 545, en varianten erop: ‘[…] laat mij dan het denkende hart van deze barak mogen zijn. Ik wil het weer zijn. Ik zou het denkende hart van een heel concentratiekamp willen zijn.’ (Het Werk, 575)

Het lied van de boom
De tiener Etty stal kersen van een boom (het platteland van Deventer?)  die eigendom was van een boer, die dan wel niet wist hoe zij heette, maar die er niet aan twijfelde dat zij Joods was en haar ‘lelijke woorden toeschreeuwde’. (25) Ook haar ouders, haar huis en zelfs haar poes  moesten het ontgelden. De verwijzingen naar het antisemitisme zijn impliciet, maar voor wie ze wil zien, zijn ze er.

Misschien was het lied dat in de wagon werd gezongen, gewijd aan ‘de bomen die wij zagen vanuit de wagon, toen wij Westerbork verlieten, of misschien aan een enkele boom, of aan één boom.’ (27) Onder een boom heeft Etty de mooiste kus van haar leven gegeven, schrijft zij. Aan Julius Spier.

Bomen keren terug in het afsluitende hoofdstuk, als de trein zijn bestemming lijkt te naderen. Uit de wagon ziet zij nieuwe aanplant van bomen en struiken. Wie plant er nu midden in de oorlog nieuwe bomen? Dat doen alleen zij die iets te verbergen hebben: de massagraven waarin Joden zonder naam liggen en waarover reeds lang bomen en struiken groeien. Om de moorden te verbergen.

Maar dat was tevergeefs. Het boek sluit af met dit beeld: ‘Boven ons groeien de planten. Hun wortels komen tussen onze armen alsof ze ons willen omvatten. Stukje bij beetje veranderen ook wij in takken en schors. Spelende kinderen klimmen in onze takken om kersen te stelen.’ Van de kersenboom uit het eerste lied, via het kersendiefje Etty, naar de bomen in de bossen van Oost-Europa en daarna – maar dan zijn we al buiten het boek beland – in heel de wereld waar duizenden bomen voor de rechtvaardigen worden geplant. Wat ook in gedachte komt, is het Joodse ‘Nieuwjaar van de bomen’, het Toe Bisjvat, dat valt op 15 Sjevat, eind januari, begin februari. Op deze feestdag planten Israëlische schoolkinderen in het hele land jonge boompjes.

Conclusie
Corradini heeft over Etty Hillesum een liefdevol boek geschreven. Zij doet daarin het woord, ook al spreekt zij met die van de auteur. De enige ‘bijbedoeling’ lijkt mij er een van didactische aard. Corradni’s teksten bieden de lezers in de beoogde doelgroep talloze aanknopingspunten: enerzijds de beweegredenen van Etty Hillesum om haar gevoelens, gedachten en ervaringen op dat specifieke moment in haar leven in een dagboek onder woorden te brengen, anderzijds om de complexe historische context waarin zij dat deed, aan de jongere generaties te begrijpen. Wie dit boek ter hand neemt om hieraan een steentje bij te dragen, moet uitleggen dat Etty Hillesum geen poes had (Lied van de boom), en dat er rondom kamp Westerbork in de oorlogsjaren geen bomen stonden, zoals nu het geval is. Maar dit zijn details die niets af doen aan Corradini’s verdiensten, integendeel zou ik zeggen; maar ik ben ietwat bevooroordeeld, want ik houd van bomen en ben dol op katten.

 

Geplaatst in Italiaanse Hillesum Kroniek | Tags: , | 1 reactie

Fred van der Spek (1923-2017)

Van zijn overlijden op 23 november 2017 werd ik door een e-mail van Karin Spaink uit Amsterdam op de hoogte gebracht. Wie weet hoelang ik zonder haar bericht in het ongewisse zou zijn gebleven.

Er is één aanknopingspunt om iets te zeggen over Fred van der Spek in een post op dit  weblog. Hij was uitgenodigd om in het najaar van 1982 in Milaan te spreken op een internationaal congres van de Italiaanse Partito Radicale, geleid door Marco Pannella en Emma Bonino. Hij heeft mij toen gevraagd dit voor hem te doen en dat heb ik gedaan. Fred (in dus voor hem) zou direct na de openingsspeech van Pannella aan het woord komen, want hij was immers een hoge buitenlandse gast, een vooraanstaand lid van een ‘belangrijke’ politieke partij – de PSP – uit een land met een lange traditie van pacifisme en tolerantie, zéér bewonderd – en nog steeds – door sommige Italianen, door anderen, ongetwijfeld de meerderheid, veel minder. De voorzitter opende de zitting en gaf het woord aan Pannella aan en zei dat ik direct na partijleider Marco aan de beurt was. Ik nam mijn tekst en beklom eveneens het podium.

Maar dat was prematuur. Ik wist toen nog niet dat Pannella’s redevoeringen de gemiddelde tijdsduur van die op Russische partijcongressen evenaarden. Toen hij na twee uur onder het spreken zijn tweedjasje begon uit trekken, geholpen door een toegeschoten volgeling, zag ik in dat het nog wel enige tijd zou gaan duren. Ik begreep nu ook waarom de andere partijbonzen, achter de tafel op het podium, licht onderuitgezakt in hun stoel zaten. Ik vond dat eerst van weinig respect getuigen, maar tot inzicht gekomen, nam ik er vervolgens ook mijn gemak van. Dat was mijn eerste les in Italië: je komt hìer met naar Nederlands gebruik nauwkeurig geregisseerde spreektijden niet uit de voeten. Ik weet zeker dat Fred dit gebeuren met een onstuimige lach zou hebben ondergaan.

A.G. vande Spek in 1985, Utrecht.

Zó heb ik    hem meegemaakt en zó herinner ik mij hem het liefst: de persoon op de foto die ik op deze wikipedia pagina vond en die dateert uit 1985, drie jaar na mijn vertrek naar Rome.

Als fraktiemedewerker heb ik van het najaar van 1979 tot het zomerreces van 1982 ‘onder Fred gediend’, en dat is voor mij een intense, leerzame en zeker plezierige periode geweest. Aan de fraktievergaderingen op dinsdag denk ik met genoegen terug. Voor de politieke verwikkelingen binnen de PSP liep ik wat minder warm, althans in mijn herinnering. Ik was geboeid door het kamerwerk, de rol van de PSP daarin, de relativerende betekenis die Van der Spek daaraan hechtte, maar zonder de verplichtingen die het kamerlidmaatschap met zich meebracht te verwaarlozen. Het was één van de podia waar zijn visie en de missie van de PSP in de openbaarheid konden komen.

Van zijn overtuiging was het pacifisme voor mij doorslaggevend en had het socialisme als model voor politieke organisatie van een maatschappij minder prioriteit. Voor hem gold dat niet. Wij dachten over het anti-militarisme wel in dezelfde termen en deelden in die jaren de politieke en economische analyse van dit verschijnsel. Het anti-militarisme is in de wereld van vandaag echter niet meer populair en wordt op macro- en microniveau bijna zonder uitzondering afgewezen.

Het denken over geweldloosheid als politiek alternatief, dat mijn jeugdjaren domineerde (ik was ooit dienstweigeraar), werd opnieuw actueel toen ik in 2006 met Fulvio Manara (1958-2016) uit Bergamo in contact kwam. Manara had zich uitgebreid met het werk en het leven van Ghandi ingelaten, als filosoof en onderzoeker, maar ook als docent. De aanleiding om elkaar te ontmoeten was het werk van Etty Hillesum, maar al snel bleek dat wij geworteld waren in dezelfde, noem het de Europese traditie van geweldloosheid. In de periode 2006-2016, waarin wij moeite deden de studie van Etty Hillesum in Italië te bevorderen, is de naam van Fred van der Spek meermalen gevallen, met name als het ging om de problematiek van het geweld, van de haat, van het lot van de Joden tijdens het nazisme. Manara vatte dit alles goed samen in de uitdrukking ‘cultura della morte’, letterlijk: ‘cultuur van de dood’, die in de Italiaanse theorie en studie van de geweldloosheid gangbaar is.

In gesprekken met Fulvio noemde ik hem nog al eens ‘mio deputato’, mijn kamerlid, dat in het Italiaans ook een mate van affectie herbergt, indien gebruikt in de juiste context. Het moet worden gezegd: aan Van der Spek heb ik voor wat betreft het pacifistische gedachtengoed veel te danken. Fred heeft nooit geweten dat zijn naam en dit aspect van zijn politieke visie in Bergamo meermalen ter sprake zijn gekomen. In de loop van 1983 is het contact met hem verwaterd. Mijn leven in Italië, eerst in Rome en vanaf 1988 in het dorp waar ik nog steeds woon, liet nauwelijks ruimte voor de periode die ik in september 1982 had afgesloten.

Fred mag dan in 2003 tijdens een interview breed lachend vastgesteld hebben: ‘Niks. Ik heb niks bereikt!’, zijn naam en enkele van zijn politieke ideeën zijn niettemin tot in het zuiden van Europa doorgedrongen.

Geplaatst in Afscheid | Een reactie plaatsen

Het Colosseum: een afbeelding en twee boeken

Deze afbeelding komt uit het boek Roma giorno per giorno van Claudio Rendina (Newton e Compton editori, Roma, 2008). Velen zullen weten dat ‘giorno’ staat voor ‘dag’. De eerste dag waarvan Rendina de kroniek beschrijft is 21 april 753 v.Chr., de dag waarop volgens de legende de stad door Romolus werd gesticht. Als laatste dag vermeldt hij dinsdag 29 april 2008. Tijdens de verkiezingen op de twee dagen ervoor (27 en 28) werd Giovanni Alemanno door de Romeinen tot burgemeester gekozen. Daartussen liggen 590 pagina’s tekst op groot formaat afgedrukt en opgeluisterd door vele honderden illustraties. Voor de duidelijkheid: niet elke dag in het leven van de stad wordt in dit boek beschreven. Soms wordt er een jaar overgeslagen en in veel gevallen zijn de gebeurtenissen samengevat in een paar regels. De schrijver heeft zijn leven aan de geschiedenis van Rome gewijd en die in een groot aantal boeken en artikelen voor een algemeen publiek toegankelijk gemaakt. Dat is een grote verdienste.

Colosseum

Een driedimensionale reconstructie van Bruno Brizzi.

Op pagina 98 staat deze afbeelding afgedrukt.

Op het internet zijn de afbeeldingen van het Anphitheatrum Flavium, het Amfitheater van de Flaviërs, niet meer te tellen, maar vreemd genoeg was ik deze nog niet tegen gekomen.

 

De auteur van de reconstructie is volgens het bijschrift in Rendina’s boek Bruno Brizzi. Wie dat was of is (naar ik hoop) heb ik niet kunnen achterhalen.

 

Brizzi wordt niet genoemd in de meer wetenschappelijk georiënteerde monografie Il Colosseo (Electa, 1999), bezorgd door de gerenommerde classica Ada Gabucci. In dit prachtige boek wordt het Colosseum eerst in zijn stedebouwkundige context geplaatst, vervolgens komen de belangrijkste thema’s aan de beurt. Dat zijn achtereenvolgens de  gladiatoren, de architectuur van het monument en hoe de mechanismen, bij voorbeeld de beestenliften, in de tijd van de gladiatoren werkten, het gebruik van het gebouw door de eeuwen heen en in het  laatste hoofdstuk wordt uitgelegd hoe de waterhuishouding  van het amfitheater functioneerde. Dit alles aangeboden in vijf hoofdstukken die werden geschreven door zes auteurs en geïllusteerd met een indrukwekkend aantal afbeeldingen, van werktekeningen en planimetrieën tot reproducties van kunstwerken. Het boek geeft de stand van het archeologisch en historisch onderzoek tot aan het einde van de twintigste eeuw. Het is natuurlijk alleen nog antiquarisch te koop.

Over het Colosseum bestaat een wikipedia artikel in het Nederlands. De Italiaanse en Engelse versies zijn echter aanzienlijk uitgebreider. De oudhistoricus Jona Lendering heeft aan het Colosseum een aantal goed leesbare pagina’s gewijd (226-255) in zijn boek Stad in marmer uit 2002.

Geplaatst in Colosseum | Tags: | Een reactie plaatsen

Giuseppe Laras, 1935 – 2017: de opperrabbijn van Milaan en Etty Hillesum

Op woensdag 15 november 2017 overleed in Milaan rabbijn Giuseppe Laras. Hij was 25 jaar de opperrabbijn van die stad. Hij wordt geëerd met de titel ‘maestro’, geestelijk leider. Door velen werd hij erkend als een gids die richting gaf aan hun bestaan, als een leraar die zijn levenswijsheid deelde met hen die bereid waren naar hem te luisteren.

Giuseppe Laras

Laras heeft telkens opnieuw gewezen op het steeds dieper groeiende antisemitisme, in Italië en in Europa. Gedurende zijn lange carrière heeft hij zich met evenveel vasthoudendheid ingezet voor de interreligieuze dialoog tussen joden en christenen. Hij was tot diens dood bevriend met zijn stadgenoot kardinaal Carlo Maria Martini, eveneens groot voorvechter van deze dialoog. Laras breidde zijn ideeën daarover uit tot de wereld van de islam. Hij nam deel   aan het World Congress of Imams and Rabbis for Peace. Laras heeft gewerkt als universitair docent aan universiteiten in Milaan en Pavia. Hij heeft zich vooral toegelegd op de studie van Maimonides, de Joodse filosofie van de Middeleeuwen en de Renaissance, onderwerpen waarover hij publiceerde.

Zich bewust van het naderende einde heeft Laras in een brief aan de Milanese Joodse Gemeenschap opgeroepen “nieuwe modellen” te ontwerpen waarmee men twee van de complexe problemen van deze tijd aan zou kunnen pakken: ten eerste “de nieuwe golf van antisemitisme, het verraad van de linkse politiek, het snelle intellectuele en morele verval van de Westerse beschaving”, en ten tweede de fase van “uittering en verharding” waarin het Jodendom verkeert.  In de context van de jaarlijkse herdenkingen rond 27 januari was Giuseppe Laras bekend geworden als de ‘Overlevende van de Sjoa’. Op 2 oktober 1944 ontsnapte hij in zijn geboortestad Turijn aan de dood in een concentratie- of vernietigingskamp toen zijn moeder en oma werden verraden. Hij vat de gebeurtenissen nog eens samen in een artikel dat het Italiaanse katholieke dagblad Avvenire op de dag na zijn dood afdrukte: “Het lichaam is een geschenk van God. Mijn jaren ontnemen mij mijn kracht…” Ik vertaal er de volgende passage uit:

Ik herinner mij dat de twee Italiaanse SS-ers eenvoudig op de deur klopten. Onze vrome conciërge, altijd goed behandeld door mijn familie, had mijn moeder en oma aangebracht.  Zo kon zij de 5000 lire per persoon incasseren. Ik herinner mij de straat die wij ’s avonds laat doorgingen, te voet naar het gebouw van de Gestapo. Ik herinner mij de laatste snel gewisselde blik met mijn moeder, die ik nooit meer terug zag. Ik herinner mij hoe ik wanhopig en geschokt was gevlucht om een veilig heenkomen te zoeken, een plaats om mij te verbergen. En ik herinner me ook dat ik een half jaar niet heb gesproken. Ze was mooi, mijn moeder. […] Ons gezin was warm en boordevol van de levenslust, die in het woord ‘familie’ is samengebald en verscholen. Mijn kinderjaren waren heerlijk. Op 2 oktober 1944 raakte ik dit alles in één slag kwijt. Ik was negen jaar oud. Het was een onomkeerbaar verlies.

Zoals gebruikelijk worden bekende personages door journalisten over actuele thema’s om hun mening gevraagd. Dat overkwam ook Rabbijn Laras regelmatig. In een artikel in het dagblad Corriere della Sera van 3 januari 2014 over Etty Hillesums Dagboek (ik heb de bron niet kunnen controleren) heeft hij iets over haar gezegd. De passage wordt geciteerd door Nadia Neri in haar artikel van 14 januari 2014, geplaatst op de website van de Milanese Vereniging Gariwo:

Het is verkeerd haar voor te stellen als een heldin of als een hoeksteen van het denken. Zij was een intelligente en gevoelige jonge vrouw, die ons een zeer belangrijke getuigenis heeft nagelaten. Maar men moet er ook rekening mee houden, dat zij grote psychologische problemen had, die werden verergerd door de verhouding met Julius Spier, een therapeut die 27 jaar ouder was. De woorden en het gedrag van Etty [Hillesum] moeten worden beschouwd in de optiek van een gestoorde persoon.

Neri vindt deze opmerkingen van Laras ‘geringschattend’. Haar verontwaardiging komt voort uit de opvatting “Etty is een gewone vrouw.” (Etty è una donna normale.), die Neri sinds 1988 heeft gekoesterd. Daar is niets op tegen, maar toch wijkt haar mening niet zó sterk af van die van de opperrabbijn als zij in hetzelfde stuk doet voorkomen. Dit blijkt als zij verduidelijkt wat zij zélf onder “normaal”  verstaat: “[Etty had] net als iedereen veel problemen, een moeilijke verhouding met haar ouders, eetproblemen en een ernstige depressie…” Voorwaar niet gering.

Dat geldt ook voor de opmerking van rabbijn Laras over Etty Hillesum: ‘een gestoorde persoon’ (una personalità disturbata). Ik neem voorlopig aan dat Neri de rabbijn correct citeert, maar het lijkt me niettemin een oordeel dat niet past bij iemand als Laras. Je vraagt je af wat hij van Hillesums werk gelezen heeft. Wellicht alleen de bloemlezing uit 1981? Ik blijf voorlopig het anwoord schuldig.

In dit stukje wil ik tot slot nog wijzen op een interessante overeenkomst tussen Etty Hillesum en Giuseppe Laras: beiden waren zij mensen van de dialoog en beiden hebben zij aan die overtuiging méér dan lippendienst bewezen. Het gesprek met de ander veronderstelt de afwezigheid van haat. In het dagelijks bestaan kan aan deze voorwaarde meestal wel worden voldaan, maar in de uitzonderlijke omstandigheden waaronder Etty Hillesum, haar familie en haar volk leefden (en mutatis mutandis de Italiaanse Joden), lagen de verhoudingen volledig anders. Er was veel moed voor nodig om serieus begrip te vragen voor de dialoog.

Ook in onze tijd, die wordt geteisterd door ontelbare verwoestende oorlogen en conflicten op zeer veel plaatsen in de wereld, vraagt het om grote moed de dialoog als middel voor de oplossing van conflicten voor te stellen. Niet zelden wordt deze optie honend afgewezen. De boventoon voert wat men aanduidt als “hate speech”; zoals bekend, werd de haat door Etty Hillesum op 15 maart 1942 zeer treffend aangeduid als “… een ziekte van de eigen ziel.”

Nota.

Nadia Neri is de schrijfster van het boek Un’estrema compassione. Etty Hillesum testimone e vittima del Lager, Milaan: Bruno Mondadori, 1999.

Geplaatst in Afscheid, Italiaanse Hillesum Kroniek | Tags: , | Een reactie plaatsen