Ara, Mara, Amara. Een gedicht van Aldo Palazzeschi

Ara, Mara, Amara

Een klein grasveldje
ligt onderaan de helling
tussen hoge cipressen.
In hun schaduw dobbelen
drie oude vrouwtjes.
Elke dag op dezelfde plaats
en geen moment zien ze op.
Dobbelend in het gras,
geknield in de schaduw.

De titel van het gedicht is onvertaald gebleven: Ara, Mara, Amara. Kijk eens naar de grondstoffen, de letters. Het zijn er drie: de klinker ‘a’ komt zeven keer voor, van de twee medeklinkers de ‘r’ drie keer en de ‘m’ twee keer. Palazzeschi vormt de woorden door een ‘M’ toe te voegen aan de tweede, en ‘Am’ aan de derde naam. Hij gebruikt hoofdletters, want het zijn immers de eigennamen van de drie vrouwen. De klemtoon valt bij de eerste twee op de eerste lettergreep, bij ‘Amara’ op de tweede.

Bij het woord ‘Ara’ komt mij niet direct aan een vrouwennaam in gedachte, maar twee Romeinse monumenten: de Ara Pacis en de kerk Santa Maria in Aracoeli op

Ara Pacis, Rome

het Capitolijn. Palazzeschi werd in 1885 geboren in Florence en zou zich in 1941 definitief in Rome vestigen om er in 1974 te sterven. Hij heeft het Ara Pacis monument gekend zoals het tijdens Mussolini’s Italië was gerealiseerd .

In Palazzeschi’s Romeinse tijd waren de 14° eeuwse kerk en haar beroemde trappen onveranderd gebleven.

Het woord ‘Mara’ is in het hedendaagse Italië een gangbare vrouwelijke naam. Daarentegen is het woord ‘Amara’ (bitter) in gebruik als adjectief met een vrouwelijke uitgang, niet als eigennaam.

Het Latijnse ‘Ara’ betekent altaar of tempel, maar het is vermeldenswaard dat het woord in oudere dialecten ook voorkomt in de zin van een zonovergoten open ruimte waar het graan wordt gedorst. Op middeleeuwse handelsmarkten in de Franse regio Champagne en in Vlaanderen riepen de  kooplui het woord ‘ara’ om het einde van de onderhandelingen in te luiden en het begin van de betalingen.

Ik wil nog wijzen op de niet meer gangbare Latijnse uitdrukking ‘Amore, more, ore, re’, die men bijvoorbeeld kan vinden in het boek van Nicolaas Witsen, Noord en Oost Tartarye, Amsterdam 1705. Om vast te stellen of Palazzeschi mogelijk werd geïnspireerd door deze uitdrukking, zowel voor het hier vertaalde gedicht als voor het andere met vier mannennamen in de titel: Oro, Doro, Odoro, Dodoro, zou ik de kritische editie van de bundel uit 1905 waarin de gedichten verschenen, moeten raadplegen. De huidige omstandigheden laten dit echter niet toe.

Geen moment zien ze op

Ten slotte nog een opmerking over het dobbelen, dat nooit een goede reputatie heeft genoten. In het oudere Italiaans werden voor dit spel ook wel de klanknabootsende woorden cricca of trictrac gebruikt. Bij dit laatste spel, in het Nederlands bekend als triktrakken, werden ook dobbelstenen gebruikt. Ed. de Jongh citeert in zijn boek Tot lering en vermaak een embleemboek uit 1596 waarin men dit vers kan lezen: ‘Naar Gods wil valt de dobbelsteen van ons lot gelijk de dobbelstenen bij het spel geworpen worden’. Het embleem heeft als motto  ‘Ita est vita hominum’, zo is het leven van de mens.

Voor de Italiaanse tekst Ara Mara Amara

Aantekeningen

 

Uit de bundel: I cavalli bianchi [De schimmels], Florence, 1905. Een kritische editie werd uitgebracht door Adele Dei, A. Palazzeschi, Cavalli bianchi, Edizione critica a cura di Adele Dei, Parma, Edizioni Zara 1992.

Ed. de Jongh, Tot lering en vermaak. Betekenissen van Hollandse genrevoorstellingen uit de zeventiende eeuw, Rijksmuseum, Amsterdam 1976, p. 111. Zie dbnl.org

 

Geplaatst in Poëzie: Italië 20e eeuw | Tags: | Een reactie plaatsen

Muizenissen van gouverneur Luca Zaia

‘Iedereen heeft ze gezien, de Chinezen die levende muizen en dergelijke eten.’

Deze weinig diplomatieke uitspraak kon men op 29 februari 2020 horen op een Italiaanse locale TV-zender. De auteursrechten ervan zijn het onvervreemdbare eigendom van de gouverneur van de regio Veneto. Hij werd geïnterviewd over de gang van zaken rond het coronavirus in de 5 miljoen inwoners tellende regio, waarvan hij de politieke leiding heeft. Zijn naam is Luca Zaia. Hij behoort tot de vooraanstaande politici van de Lega. Zijn politieke baas is Matteo Salvini.

De dag erna gaf hij het volgende commentaar op de wassende stroom van verontwaardigde reacties: ‘Ik geef toe de zin niet zo gelukkig gekozen was … als iemand zich erdoor gekwetst voelt, dan mijn excuses daarvoor’. Hij voegde eraan toe: ‘Het was niet mijn bedoeling te generaliseren…’

Arthur van Schendel schreef ooit: ‘… je zit weer te piekeren, over muizenissen zonder grond.’ Van Schendel heeft voor en tijdens de tweede wereldoorlog in Italië gewoond. Wie weet wat hij over Zaia’s weerzinwekkende uitlating zou hebben gedacht. Hij heeft immers gezien waartoe op superioriteitsdenken gebaseerde uitspraken kunnen leiden: stimatisering, isolatie, uitsluiting en geweld.

Enige dagen eerder, op 24 februari, werd in Como een bejaarde Chinese heer op straat aangevallen door twee Italiaanse jongens van  15  of 16 jaar. Zij werden door een Italiaanse veertiger aangepakt en maakten zich vliegensvlug uit de voeten.

Noot.
Dit is het fragment van één minuut en tien seconden uit het genoemde interview: TV uitzending van Antenna3 (Italiaans). En dit is de zin in de contekst:

«L’igiene che ha il nostro popolo, i veneti e i cittadini italiani, e la nostra formazione culturale ci portano a farci la doccia, lavarci spesso le mani e stare attenti alla pulizia e all’alimentazione. E’ un fatto culturale. La Cina ha pagato a caro prezzo quest’aspetto. In fondo li abbiamo visti tutti mangiare topi vivi e altre robe del genere.»

Wikipedia heeft een pagina (Eng.) over hem (de Nederlandse is lang niet bijgewerkt).

Geplaatst in Italiaanse identiteit | Een reactie plaatsen

De put van de krokodil: een Napolitaanse legende naverteld door Benedetto Croce

Onder het Nieuwe Kasteel in Napels bevond zich een donkere, vochtige ruimte waarin streng gestrafte gevangenen werden opgesloten. Tot ieders verbazing bleek op een dag dat zij waren verdwenen. Waren ze gevlucht? Hoe was dat nu toch mogelijk? Toen men een nieuwe gevangene in het onderaardse gewelf ging opsluiten, werd ook het toezicht verbeterd. Kort daarop zag men een overwacht en vreselijk schouwspel. Door een aan het oog onttrokken opening onder het niveau van het zeewater zwom een monsterlijk grote krokodil de ruimte onder het kasteel binnen. Met zijn bek sleepte het beest de gevangene aan zijn benen naar buiten en verslond zijn slachtoffer in open zee. Men vermoedde dat de krokodil uit Egypte in het vaarwater van een vrachtschip was meegezwommen. Vanaf dat moment liet men in de put de ter dood veroordeelden neer en de krokodil, in dienst van de justitie, voerde de vonnissen uit. Dat ging voort tot men op een dag besloot om zich van de   gevaarlijke bezoeker te ontdoen. Op een scheepsanker bond men de heup van een paard en met dit malse aas werd de krokodil gevangen. Het karkas van het gedode monster werd opgevuld met stro en in één van de poorten van het Nieuwe Kasteel gehangen. Men kon het beest tot voor veertig jaar terug nog hoog in de tweede toegangspoort zien bengelen, aangewezen door angstige kindervingers.

Ook al spraken de mensen altijd over ‘de put van de krokodil’, niemand kon zeggen waar hij precies was. Misschien was het dezelfde kelder waarin Tommaso Campanella opgesloten had gezeten. Bij de laatste verbouwing van het kasteel werd de krokodil ergens opgeslagen of weggegooid. Het is zeker niet de krokodil die in de Egypte-afdeling van het Nationaal Museum te zien is, want dat exemplaar komt ergens anders vandaan. Gaetano Amalfi heeft laten zien dat het motief in deze legende kan worden aangetroffen in talloze andere verhalen en literaturen: een gevangene die, levend of in stukken gehakt, wordt gevoerd aan krokodillen, slangen of andere brute beesten. Hier is de legende aangepast en geplaatst in het Nieuwe Kasteel in Napels, dat in zijn geheime ruimten ook de baronnen liet verdwijnen, die het hadden aangedurfd tegen koning Ferrante in verzet te komen.

Toelichting

In de voorlaatste zin schrijft Benedetto Croce dat Gaetano Amalfi (1855-1928) zich had gebogen over het literaire motief, uitgewerkte in het verhaal, om de wijde verbreidheid ervan aan te tonen. Croce vermeldt niet dat hij Amalfi’s tekst uit 1895 bijna volledig heeft benut voor het schrijven van zijn tekst in de vorm van een verhaal. Croce publiceerde de legende van de  krokodil in 1919 in een bundel met de titel ‘Napolitaanse verhalen en legenden’ [Storie e leggende napoletane] bij een Napolitaanse uitgever. Croce’s naam was toen al nationaal gevestigd, terwijl de beroepsjurist en amateur letteraat Amalfi slechts op locale faam kon bogen.

Croce was niet vreemd aan het navertellen van volksverhalen of legenden. Zeer bekend is zijn ‘vertaling’ uit het zeventiende eeuwse Napolitaans van verhalen uit de Pentamerome van Giambattista Basile. Deze verzameling volksverhalen, die werden opgetekend door Basile uit de monden van zijn tijdgenoten,  zag postuum het licht in 1634-36 onder de titel ‘De fabel van de fabels’ [Lo cunto de li cunti]. Uit het artikel van Amalfi blijkt verder, dat hij verschillende van zijn stadsgenoten aan het woord had gelaten om zijn materiaal te verzamelen. Croce was daarentegen een studeerkamer geleerde en gebruikte gedrukte bronnen.

Noot.

Een nijlkrokodil kan wel vier tot vijf meter lang worden en jaarlijks vallen honderden mensen ten prooi aan zijn scherpe tanden. Dit aspect van de legende berust of feiten. De rest van het verhaal stamt uit de traditie van de Napolitaanse folklore.

 

Geplaatst in Italiaanse schrijvers | Tags: , | 1 reactie

Een Etty Hillesum expositie in Rimini

Een tentoonstelling over Etty Hillesum die in zeven dagen door meer dan 12 duizend bezoekers wordt bezocht.
Een catalogus waarvan ruim tweeduizend exemplaren worden verkocht.

Aangedikte aantallen? Geenszins. Ik heb de geduldig wachtenden zien staan, van ’s morgens tien tot ’s avonds rond elf uur, want ik was er drie volle dagen bij. Met de gelukkige organisatoren heb ik mij verbaasd over deze verheugend grote belangstelling.

Als we deze Riminese gebeurtenis in de juiste verhoudingen zien, wordt het succes ervan inzichtelijker. De tentoonstelling was er één van de twintig die men tijdens de Meeting van Comunione e Liberazione (CL) in het beursgebouw van Rimini kon bezoeken. Deze populaire katholieke culturele manifestatie vindt traditiegetrouw plaats in de tweede helft van augustus. Dit jaar vierde men de veertigste editie. Het aantal bezoekers liep op tot ruim 800 duizend, die hun weg vonden in de 16 paviljoens. Onder hen waren vrij veel ‘buitenlanders’, want de Beweging CL is aanwezig in 90 landen. Er bestaat ook een Nederlandse afdeling: Gemeenschap en Bevrijding. Van de tentoonstelling zal ik later in deze Kroniek verslag doen. Hier volgen enkele opmerkingen over de catalogus die deze geslaagde Hillesum happening begeleidde.

‘De hemel leeft in mij’: Etty Hillesum’ [Il cielo vive dentro di me: EH] is de titel van de tentoonstelling en de catalogus. Lezers van Hillesums dagboek herinneren zich wellicht  dat het een citaat is uit de aantekening van 15 september 1942: ‘Maar eigenlijk is het toch veel eerder zo: de hemel leeft in mij. Alles leeft in mij.’ (Etty Hillesum, Het Werk, p. 544.) Het motief dat de samenstellers van de tentoonstelling en de catalogus tot gids was, ligt in deze woorden vervat. Men wilde Hillesums religieuze ontwikkelingsgang volgen en documenteren. In het  Italiaanse katholicisme wordt dit gewoonlijk aangeduid met de term ‘il cammino’ ­– ‘de weg’ naar een religieuze bewustwording, naar het vinden van God. Volgens de titel gaat om het zich gewaarworden van de presentie van God in zichzelf. Hillesum wordt gepresenteerd als een bij uitstek herkenbaar voorbeeld voor hen die een soortgelijke ‘weg’ zouden kunnen of willen gaan. Ik zou, denkend aan herkenbaarheid, kunnen verwijzen naar het beroemde eerste vers van Dante’s Hel: ‘Nel mezzo del cammin di nostra vita’… Vandaaruit komt men als vanzelf bij Paulus’ Tweede Brief aan de Korintiërs (2:5) terecht.  Van het Italiaanse  ‘cammino’ is de werkwoordsvorm: ‘camminare’: gaan, lopen, en veronderstelt dus een actieve rol van het zoekende subject. De enthousiaste samenstellers van het Hillesum-project beoogden deze zoektocht te ongetwijfeld te stimuleren.

De zoektocht of het proces van bewustwording van Etty Hillesum wordt in de catalogus stapje voor stapje gedocumenteerd. Voor niet weinig Italiaanse Hillesumlezers is het thema van de bewustwording van de aanwezigheid van God in zichzelf één van de meest inspirerende motieven in het dagboek en de brieven. Sinds de publicatie in 1986 van de Italiaanse vertalingen van Het verstoorde leven (1e editie Amsterdam, 1982) en het volledige werk in 2012, wordt het door vooral religieuze auteurs in kortere of langere publicaties behandeld. Gewoonlijk komt dat neer op een hervertelling zonder nieuwe feiten waarbij de keuze van de citaten uit Hillesums werk zelden op duidelijke criteria is gebaseerd, maar veeleer de persoonlijke visie (of missie) van de auteur weerspiegelt. Bij  een dergelijke aanpak domineert de religieuze interpretatie, niet zelden uitlopend op een bijna bekering, en gaat ten koste van de historisch-culturele en geografische context. Dit was in Rimini niet aan de orde. De aanpak was open naar anderen.

De expositie bood de bezoekers een zeer nauwe samenhang tussen woord en beeld geboden, die in de catalogus getrouw is gereproduceerd en thuis kan worden nagegaan. Natuurlijk zijn ook hier keuzen gemaakt, zoals blijkt uit de titel, maar dit is gekoppeld aan het tweeledige perspectief waarin het project is geplaatst. Naar binnen toe verdiepend door ruime aandacht te schenken aan de historische en culturele achtergronden van de gebeurtenissen in Nederland èn van Etty Hillesum en haar familie, naar buiten toe verbredend door de plaats die de tentoonstelling heeft gekregen in de context van de Meeting die zich afspeelt in de wereld van vandaag en zich vanaf de eerste editie kenmerkt door een sterk internationaal karakter.

Hoe steekt het boek in elkaar? Het bestaat uit vier hoofdstukken voorafgegaan door een inleiding, een levensschets van Hillesum en afgesloten door een bibliografie. Indicatief zijn de (vertaalde) titels van de hoofdstukken:

  1. De bewustwording van zichzelf
  2. Zij besluit zich volledig in te zetten voor het leven
  3. De verhouding met God, met vrienden, met alles
  4. Etty in de levende herinnering van haar vrienden van nu

De hoofstukken 1 tot en met 3 documenteren Hillesums spirituele ontwikkelingsgang aan de hand van een grote hoeveelheid zorgvuldig uit het dagboek en de brieven gekozen citaten, die worden begeleid door korte commentaren waarin de samenstellers verwijzen naar informatie over de historisch-culturele achtergronden.

In de catalogus heeft de redactie tevens een aantal citaten van deze auteurs (in volgorde van verschijnen) opgenomen: Elsa Morante, Eugenio Borgna, Marina Corradi, Romano Guardini, Julián Carrón, Luigi Giussani, Klaas A.D. Smelik. Deze citaten bieden extra informatie over de behandelde thema’s, zoals het lange citaat van Smelik over kamp Westerbork. Het is afkomstig uit de door mij bezorgde Italiaanse editie van Smeliks boekje Odio e amicizia. De citaten van Morante, Guardini, Carrón en Giussani hebben behalve een zekere affiniteit weinig met Hillesum uit te staan. Don Giussani (1922-2005) was de oprichter van CL en Julián Carrón is op dit moment de geestelijke leider van de Beweging.

In hoofdstuk 4 zijn zes essays opgenomen. Ze werden geschreven door zeven auteurs met een sterke betrokkenheid bij CL: Claudia Munarin, de regiseur van de video van 12 minuten die onderdeel van de tentoonstelling was: José Claverìa, de rector van een lyceum, Ombretta Malatesta, magistraat, Benedetto Grava, een Rilkekenner, Gianni Mereghetti, docent  filosofie, Davide Perillo, journalist, Marina Corradi, journaliste. Zij zijn allen afkomstig uit Milaan.

De catalogus vermeldt geen verantwoordelijke eindredacteur, maar een zevenkoppige redactie: José Claverìa, Claudia Munarin. Marta D’Angelo, Ombretta Malatesta,  Paola Maria Sala, Benedetto Grava en Gianni Mereghetti.

Bibliografische informatie  (Zie pdf van de Italiaanse inhoudsopgave )
Il cielo vive dentro di me: Etty Hillesum, Società Editrice Fiorentina, Florence 2019.
Afmetingen 20×24,5 cm, 79 pp., 23 illustraties.
Klaas A.D. Smelik, Odio e amicizia in Etty Hillesum, Apeiron Editori, Sant’Oreste, 2015.

 

Geplaatst in Italiaanse Hillesum Kroniek | Een reactie plaatsen

Een zelfverklaarde antisemiet in Gorizia

‘Geloof: antisemiet.’ Deze informatie geeft de heer Stefano Altinier, lid van de gemeenteraad van Gorizia, over zichzelf op zijn Facebook profiel. Nee, wacht, ik moet schrijven: ‘gaf’, want het getuigenis werd een paar dagen geleden opgemerkt door leden van de oppositie en de heer Altinier heeft de twee woorden spoorslags verwijderd.

De met rood omcirkelde woorden Orientamento religioso = Religieuze voorkeur, waaronder hij heeft ingevuld: antisemitisme. Daarboven de naam van de rubriek Mijn interessen, waar hij heeft ingevuld ‘Donne’ = vrouwen.

Wie denkt dat antisemieten uit Gorizia bruten zijn vergist zich lelijk, want dìt kunnen wij over deze Lega politicus lezen:

I am a punctual and reliable person who works well under pressure. I am able to work hard both in a team environment and on my own initative (sic). I have a friendly disposition and have a good sense of humour. I also have experience to work in different places. I have good communication skills.

Men kan deze loffelijke karakteristiek aantreffen op de website van de gemeente Gorizia onder het hoofdje Curriculum vitae, ongetwijfeld door hemzelf geschreven.

Zoals gebruikelijk bij dit soort gevallen, werd de betrokkene door de locale pers om commentaar gevraagd. Het bleek allemaal op een misverstand te berusten. Een storm in een glas water. Een uit de hand gelopen grap volgens de politicus. Ik citeer: ‘… het is iets van 10 tot 15 jaar geleden … ik was een adolescent en het was een grap … natuurlijk niet geslaagd …’

Laten we aannemen dat het raadslid het veld in zijn FB profiel 12 jaar geleden invulde. We schrijven dan 2007 en hij was toen 23 jaar, want geboren in 1984. Bepaald geen puber zoals hij ons wil doet geloven. – Overigens werd Facebook pas vanaf 14 mei 2008 in het Italiaans beschikbaar. – Kwade tongen zouden kunnen beweren dat de met ‘good communication skills’ begiftigde locale politicus gedurende zijn hele volwassen leven al antisemiet is geweest en dat via Mark Zuckermanns uitvinding urbi et orbi heeft verkondigd.

Het nu vijfendertigjare raadslid, gekozen in de gezagsgetrouwe rijen van de partij van Matteo Salvini, ontkent dit. Hij gebruikt daarvoor een variant van het afgesleten argument ‘ik heb veel Joden onder mijn vrienden’. Ziehier wat hij zegt ter verontschuldiging:

‘Ik ben nooit antisemiet geweest. Stel je voor zeg. Ik heb zelfs deelgenomen aan het Joodse feest Chanoeka en ik ben heel erg geboeid door de geschiedenis en de tradities van dat volk.’

Hij zegt ‘dat’ en niet ‘het Joodse’ volk.

En hij besluit: ‘Ik bied mijn verontschuldigingen aan voor wat er is gebeurd.’ Hij zegt niet:  ‘het spijt me dat ik deze woorden heb neergeschreven’, of iets van die strekking.

De kwestie werd aanhangig gemaakt door twee sociaaldemocratische leden van het Italiaanse Parlement: het kamerlid Debora Serracchiani (1970) en de senator Tatjana Rojc (1961). Beide vrouwen verwijzen niet toevallig naar de wet Mancino uit 1993, die ‘Discriminatie, haat of geweld op grond van racistische, etnische, nationalistische of religieuze motieven’ sanctioneert. (Art. 1. “Discriminazione, odio o violenza per motivi razziali, etnici, nazionali o religiosi”.)

Het is evenmin toevallig dat het raadslid zijn Facebook profiel direct heeft bijgewerkt. Je weet het maar nooit met die linkse vrouwelijke parlementsleden.

Geplaatst in Antisemitisme in Italië | Een reactie plaatsen

Marco Minniti brengt Johan Huizinga in de Grote Moskee van Rome ter sprake

Op het gymnasium in Groningen kreeg Johan Huizinga les in algemene geschiedenis van Harm Hermans (1841-1911). De gymnasiast bewonderde diens geleerdheid maar verweet de erudiete docent echter ook dat hij zijn leerlingen geen ‘degelijk overzicht van de geschiedenis’ bijbracht. Voor één initiatief zou hij hem echter altijd dankbaar blijven. Hermans gaf namelijk buiten het lesrooster om ook Hebreeuws aan theologanten en de jonge taalliefhebber Huizinga schoof zonder dralen bij hen aan. Na enige weken zei Hermans: ‘Och jongens, Arabisch is eigenlijk veel aardiger, zal ik jullie Arabisch geven?’ Huizinga meldt dan: ‘Drie brave theologanten en ik hapten toe, en er werd nog een extra lesuur op gezet.’ In de daarop volgende jaren zou hij zich verder in de taal bekwamen. Zijn hartewens in Leiden oosterse letteren te gaan studeren ging echter niet in vervulling.

Deze herinnering vermeldt Huizinga in zijn autobiografische Mijn weg tot de historie, postuum gepubliceerd in 1947. De passage ging door mijn hoofd toen ik kortgeleden las dat de Italiaanse minister van binnenlandse zaken Marco Minniti op 16 februari 2018 Johan Huizinga ter sprake had gebracht en geciteerd tijdens een toespraak in de Grote Moskee in Rome. De Romeinse moskee wordt de ‘Grande Moskea’ genoemd omdat zij tot op heden de grootste van Europa is. Het is een bijzondere architectonische schepping van de wereldberoemde Italiaanse bouwmeester Renzo Piano.

De inmiddels ex-minister hield zijn lezing in het kader van een seminar over immigratie en integratie, terrorisme en tolerantie. Minniti heeft zich altijd beijverd voor integratie, hoewel dat hem er niet van weerhouden heeft om in samenwerking met de Noord-Afrikaanse landen, met name Libië, de stroom mensen die de zeer gevaarlijke oversteek naar Lampedusa waagden, te reguleren, lees: beperken. Hij slaagde in zijn opzet, want tijdens zijn bewind verminderde de toevloed met 75 %. Van wie echter al in Italië was aangekomen, moest de integratie krachtig worden bevorderd. Het gebrek aan integratie kan leiden tot sociale onrust en terroristische acties. Ter ondersteuning van deze these kon Minniti – en de centrumlinkse regering waarvan hij deel uitmaakte – wijzen op de meest recente tragische gebeurtenissen in West-Europa, met name op de aanslagen in Frankrijk.

De minister gaf uitdrukking aan zijn zorgen over de toekomst door zijn toespraak te beginnen met de legendarische woorden waarmee Huizinga zijn beroemde boek uit 1935 In de schaduwen van morgen opent: ‘Wij leven in een bezeten wereld. En wij weten het.’ Minniti maakte zijn gehoor duidelijk in welke historische context deze woorden tot stand kwamen: ‘… het was over het fascisme dat Huizinga schreef’.

De minister – afgestudeerd in de filosofie op Cicero – verliest zich niet in gewaagde  historische parallellen en anachronismen, maar benut Huizinga’s woorden als een gezaghebbende waarschuwing voor het zich sterk verbreidende populisme in Europa, en met name in Italië waar zijn opvolger aan het ministerie ook de leider is van de Lega, de grootste populische partij in dit land. Ook Minniti’s opmerking over Huizinga ‘die schreef over het fascisme’ heeft een precieze functie. Als nooit te voren, ondanks het wettelijk verbod op de vorming van fascistische partijen en het maken van propaganda, groeien en bloeien neofascistische organisaties, die de periode van de dictatuur als hun traditie en Mussolini als hun inspiratiebron en idool beschouwen. Zeker, naoorlogse fascisten zijn nooit weggeweest, maar het Italiaanse populisme maakt voor hen de weg vrij om met steeds minder schroom in de openbaarheid te treden. Een kernpunt in hun politieke visie is een openlijk beleden fel anti-migranten standpunt dat met zekere regelmaat in agressief en racistisch optreden uitmondt. Bij deze maatschappelijke groepen moet men van integratie natuurlijk niets hebben en men vindt voor dit standpunt bevestiging en ondersteuning bij de uitlatingen en de politiek van de huidige minister van binnenlandse zaken en zijn partij de Lega.

Toch lijkt ‘integratie’ voor ieder weldenkend mens een wezenlijk element in een politiek beleid ter bevordering van nationale veiligheid. De waarden die van Minniti’s migratiebeleid de kern vormden (en nog steeds vormen, getuige een interview van 2 juli 2019) zijn ‘menselijkheid, vrijheid en veiligheid’. Het waren ook waarden die Johan Huizinga hoog in zijn vaandel had geschreven; zijn concrete optreden en geschriften uit de jaren dertig laten daarover geen twijfel bestaan.

Minister Minniti besloot zijn lezing in de Grote Moskee in Rome met woorden die getuigen van een goede verstaander van Huizinga’s boodschap: ‘Het is van groot belang dat Italië en haar Instituties zich scharen aan de zijde van de mensen die worden geplaagd door angst, om hen te helpen zich van die obsessies te bevrijden. Zo kan worden voorkomen dat men van de obsessies vervalt in de schaduwen van morgen.’

Johan Huizinga’s In de schaduwen van morgen. Een diagnose van het geestelijk lijden van onzen tijd (Haarlem, 1935) werd in het Italiaans vertaald als La crisi della civiltà [De crisis van de beschaving] en uitgegeven door Einaudi in Turijn in november 1937. Een 2e druk verscheen al in mei 1938, maar in het najaar werd het boek door het bewind van Mussolini verboden. In zijn 27 pagina’s lange inleiding op de editie van 1962 ging de bekende Italiaanse historicus Delio Cantimori in op het besluit van de uitgeverij de ‘veel mooiere’ Nederlandse titel niet getrouw te vertalen, maar te kiezen voor wat hij licht verwijtend een op Nietzsche en Spengler geïnspireerde titel noemde. Veelbetekend zette Cantimori boven zìjn inleiding: ‘In de schaduwen van morgen’.

De Huizinga-expert Anton van der Lem heeft in 2016 de herinneringen opnieuw uitgeven (nu geannoteerd en geïllustreerd) onder de titel Mijn weg tot de historie en Gebeden bij Vantilt in Nijmegen. In 2017 heb ik een Italiaanse vertaling verzorgd en gepubliceerd als Scritti autobiografici. La mia via alla storia & Preghiere, bij Apeiron Editori Sant’Oreste (Rome).

Met dank aan Dennis Smit voor de link.

Geplaatst in Johan Huizinga in Italië | Tags: , | Een reactie plaatsen

Je komt er niet af…

Fatina was ziek en wilde geen mens meer zien. Mijn kleinkinderen hebben me laten roepen. Ik moest iets doen, werd me gezegd.
‘Wat haal je nu weer in je hoofd’, zei ik tegen d’r.
Geen antwoord.
‘Als je je niet goed voelt, halen we een dokter.’
Plotseling gilde ze: ‘Je begrijpt er niks van jij, niks! Ik ben ’t zat om in Auschwitz te zitten. Ik wil d’r uit! Begrijp ’t nou toch es!’
Het waren mijn zusters laatste woorden.

Dit is een stukje uit een interview met Alberto Sed, opgetekend door de Italiaanse historica Elisa Guida. In het kader van haar onderzoek naar de terugkeer van de Joodse overlevenden van de concentratie- en vernietigingskampen, heeft ze met een aantal van hen gesproken. De resultaten van haar werk heeft zij in 2017 gepubliceerd in haar boek De weg naar huis.
Fatina Sed hield ook een dagboek bij. Elisa Guida geeft daaruit een citaat:

… ik ben oma van twee lieve kleinkinderen en moeder van drie volwassen kinderen, maar hoewel het mij aan niets ontbreekt, voel ik mij diep ongelukkig. Het lijkt me, dat een deel van mijzelf heel ver weg is, achtergebleven op een plaats van schrijnend lijden en onmenselijke levensomstandigheden.

Alberto Seds woorden en de dagboekaantekening van zijn zuster deden mij denken aan een ander interview. Hanny Michaelis (1922-2007) sprak in de jaren zestig met Bibeb. Bij  het begin van het gesprek, dat voornamelijk gaat over haar relatie met Gerard (van het) Reve, vertelde de dichteres over haar onzekerheid, over de dominantie van Reve in hun huwelijk en de daarmee samenhangende onmacht om te schrijven. De scheiding werd voltrokken en, zegt zij, een psychotherapie ‘… heeft gemaakt dat ik weer kon schrijven. Je krijgt er zelf inzicht door. Je komt er niet af, maar je kunt er mee leven.’

Om de laatste zin te kunnen plaatsen, is het nodig toe te voegen, dat Michaelis tijdens de oorlog van 1942 tot 1945 was ondergedoken. Zij overleefde de ramp. Haar ouders werden in 1943 opgepakt, naar het vernietigingskamp Sobibor gedeporteerd en daar vermoord. Zij hadden er van afgezien een schuilplaats te zoeken.

De Nijmeegse filosofe en literatuur-onderzoekster Ria van den Brandt heeft in haar bundel Vrouwen van woorden zes essays samengebracht over evenzovele vrouwen die hun Joodse afkomst gemeen hadden. Van den Brandt schrijft: ‘Hun wereld werd volledig of bijna volledig verwoest door de vernietigingsmachine van de nazi’s.’ Nelly Sachs, Gertrud Kolman, Gerty Spies, Etty Hillesum, Selma Meerbaum-Eisinger en Hanny Michaelis hebben ‘… in hun gedichten hun fictie, hun brieven en dagboekaantekeningen hun omgang met het oorlogstrauma in heel uiteenlopende toonsoorten ter sprake gebracht.’ Van den Brandt constateert bij de zes vrouwen ‘… aanhoudende rouw en gevoelens van woede, haat, schuld, depressie, verzet en desillusie…’ . In haar mooie essay over Michaelis geeft zij van enkele van deze thema’s een aantal sprekende voorbeelden, die zij vooral in de vroege gedichten traceert. Van den Brandt gebruikt de term ‘existentiële zwaarmoedigheid’ om een funderend element in het werk en de levensloop van de dichteres te identificeren.

Ik citeer één gedicht van Michaelis waarin het thema opgeslotenheid of het weggedrukt zijn in het eigen verleden aanwezig is:

Laat in de avond
slaat de regen tegen het raam.
Wind beukend op de deuren
vindt nergens onderdak.
Hier waar het stil is tussen
vier muren zit ik mijzelf in de weg
onder een dikke laag verleden
maar zonder de wijsheid die daar bij past.

Fatima Sed en Hanny Michaelis zaten beiden ‘gevangen’ in een door hen als rampzalig ervaren verleden, maar anders dan Michaelis kon Fatima met haar trauma niet meer leven. De zwaarmoedigheid, die vele gedaantes kan aannemen en in diverse gradaties voorkomt: triestheid, moedeloosheid, neerslachtigheid, melancholie, nam bij haar blijkbaar de vorm aan van steeds terugkerende depressies, ontaardend in een pathologie die haar geen andere uitweg liet dan de dood. Zij is zeker niet de enige overlevende van de kampen die tòch nog het slachtoffer van de nationaalsocialistische ‘rassenleer’ is geworden. In gedachten komen de namen van Paul Celan en Primo Levi.

Over Alberto Sed is een wikipagina in het Italiaans beschikbaar.

Gebruikte teksten:

– Guida, Elisa (2017). La strada di casa. Il ritono in Italia dei sopravissuti alla Shoah, Viella, Roma. [De weg naar huis. De terugkeer in Italië van de overlevenden van de Sjoa.]

– Bibeb (1966). De mens is een ramp voor de wereld, Van Gennep, Amsterdam. 207-218.

– Brandt, Ria van den (2014). Vrouwen van woorden. Een kleine canon tegen groot leed, Abdij van Berne, Heeswijk. 102-117. Op pagina 117 de verwijzing naar literatuur. Het essay was overigens al afgesloten voor de publicatie van de dagboeken van Michaelis.

In het Nederlands verschenen onder auspiciën van de Stichting Onderzoek Terugkeer en Opvang (SOTO) vanaf 2001 vier kloeke delen over de problematiek van de terugkeer. De SOTO opdracht betrok alle terugkerenden in het onderzoek. Zie de website van het NIOD.

Geplaatst in Antisemitisme in Italië | Een reactie plaatsen