Etty Hillesum in tien liederen. Het vertrek op 7 september 1943 uit kamp Westerbork verteld in een Italiaans kinderboek

De Italiaanse schrijver en hebraïst Matteo Corradini heeft in februari 2017 een voor jeugdige lezers gedacht boek over Etty Hillesum  gepubliceerd. Het is alleen in het Italiaans  beschikbaar en daarom geef ik eerst een werkvertaling van de titel: ‘Wij zijn zingende vertrokken. Etty Hillesum, een trein, tien liederen.’ [Siamo partiti cantando. Etty Hillesum, un treno, dieci canzoni, Palermo, rueBallu edizioni, 2017. Illustraties van Vittoria Facchini.] Corradini is niet de eerste die een zinssnede van Etty Hillesum gebruikt voor de titel van een boek over haar. Ik moest denken aan het in 2003 uitgekomen ‘Wachten jullie op mij?, samengesteld door Ria van den Brandt en Klaas Smelik, en waarvan in 2016 een nieuwe sterk uitgebreide editie beschikbaar kwam. Een vroeg Italiaans voorbeeld is het boek uit 1998 van Graziella Merlatti, die de woorden ‘denkend hart’ (Het Werk, 545) in de titel had opgenomen, en Isabella Adinolfi, die ‘een onneembare vesting’ (Het Werk, 518) heeft gebruikt voor de titel van haar boek uit 2011.

Corradini benut de zin ‘Wij zijn zingende uit dit kamp vertrokken […]’, die we kunnen lezen in Hillesums laatste ons bekende getuigenis: de briefkaart van 7 september 1943 aan Christine van Nooten (Het Werk, 702). Het was een gewoonte geworden om briefkaarten uit de deportatietrein te werpen. Op Etty Hillesums kaart van 7 september 1943 staat het poststempel van Glimmen, dat in de buurt van Haren ligt, een station op de spoorlijn Zwolle-Groningen. Sinds de jaren twintig was daar een aftakking voor het baanvak richting Nieuweschans gemaakt en dat gaf de gelegenheid – de trein reed immers langzaam vanwege de wissel – om kaarten uit de wagons te gooien. Ze werden door omwonenden opgeraapt en gepost.

De Italiaanse versie van de zinsnede ‘wij zijn zingende […] vertrokken’ luidt: ‘siamo partiti cantando’ en is bijzonder geschikt als titel voor een boek, niet in het minst vanwege de precieze en mooie vertaling. Minder elegant vind ik, dat de auteur de vertaalster Chiara Passanti niet noemt. Van haar hand zijn de eerste Italiaanse vertalingen van de selecties uit Hillesums dagboeken (It. ed., 1985) en brieven (It. ed., 1986). En van haar is dus ook de vertaling van de briefkaart. In zijn boek ontbreekt trouwens elke verwijzing, noch naar de integrale Italiaanse edities van Etty Hillesums werken, noch naar andere bronnen en teksten.

Om de woorden uit de briefkaart draait heel het boek van Corradini, dus in feite om het vertrek van Etty Hillesum, haar ouders en Mischa op dinsdag 7 september 1943. Hij heeft het eerste introducerende hoofdstuk ‘Vaarwel’ genoemd, en het afsluitende twaalfde ‘Gebed’; tezamen vormen zij het kader waarbinnen het verhaal zich in tien hoofdstukjes voltrekt. Corradini kiest niet voor een anonieme verteller, maar voor ik-persoon, die de lezer, klein of groot, vanaf de eerste zinnen gemakkelijk kan herkennen als Etty Hillesum. Het resultaat is een naar de vorm autobiografische tekst, geschreven door iemand die zich in een trein bevindt en af en toe melding maakt van wat zij ziet als ze naar buiten kijkt, maar die vooral haar herinneringen aan geliefde personen, plaatsen en gebeurtenissen uit haar recente verleden aan het papier toevertrouwt. In deze zin sluit dit boek mooi aan op de authentieke dagboekteksten die voor Corradini de inspiratiebron waren.

Zijn boek opent met de zin: ‘Ik weet niet meer welk lied het was, maar we zijn zingend vertrokken.’ (15) Op de vraag die de auteur in deze zin heeft verpakt, worden tien antwoorden gegeven in de tien hoofdstukjes die hij liederen heeft genoemd en zijn opgebouwd uit een kort stukje proza, waarin het onderwerp ter sprake wordt gebracht en dat vervolgens uitgewerkt wordt in paragraafjes die ‘strofe’, ‘refrein’ en soms ‘variant’ heten. Zo ontstaat een hechte en zorgvuldig gestructureerde narratio waarin de treinreis en het eindpunt – dat niet wordt genoemd, maar we weten allemaal wat het eindstation was – voor een uitnodigende spanningsboog zorgen.

Na het eerste ‘Lied over de boom’ volgt het ‘Lied over het portret’ (Julius Spier), over ‘de zee’ (Mischa), over ‘schoonheid en  domheid’ (Etty Hillesum), over ‘de handen’ (Spier), over ‘de heide’ (kamp Westerbork), over ‘het nachthemd’ (de nacht voor het vertrek), ‘de maan’, ‘het potlood’ (schrijven) en het tiende lied gaat over ‘het huis’ (de wereld). Het zijn belangrijke thema’s in Hillesums dagboek.

Het aantal liederen is bepaald op tien, maar zou gemakkelijk kunnen groeien, want uit niets blijkt een dwingende logica die dat  aantal zou voorschrijven. De beperking wordt mijns inziens ingegeven door de omvang die de uitgever voor de serie ‘Jeunesse ottopiù’ heeft vastgesteld en waarvan de naam een indicatie is voor de doelgroep: kinderen van acht jaar en ouder. Corradini had overigens in 2015 al een boek over Chopin in dezelfde reeks gepubliceerd, dat volgens hetzelfde strakke schema is opgezet.

De twaalf kleurenillustraties van Vittoria Facchini richten zich eveneens op deze leeftijdsgroep. De Etty Hillesum die zij afbeeldt, is niet een vrouw van 29 jaar, maar een tiener. Waar het een jeugdherinnering betreft, zou dit nog aannemelijk zijn, maar in veel gevallen ontstaat er een zekere discrepantie. Hillesum was immers ver in de twintig toen zij het dagboek schreef en de 29 lang voorbij op de dag dat zij werd gedeporteerd.

Corradini vertelt aan zijn jeugdige lezers het verhaal van het vertrek, de reis, maar vooral wat Etty Hillesum dacht en voelde.         Aan de hand van twee thema’s zal ik onderzoeken of hij daarin naar mijn mening is geslaagd. Eerst bespreek ik de rol van Julius Spier en daarna het thema van de boom. Beide onderwerpen doortrekken heel het verhaal en lenen zich daarom voor verdieping.

Het lied van de handen
Dit boek doet recht aan Julius Spier. In de vroegere Italiaanse Hillesum-receptie werd hij veelal als een ‘oplichter’ terzijde geschoven. Men kwam vrij snel tot dat oordeel, omdat tot 2012 alleen de tekst van de eerste dagboekselectie beschikbaar was, waarbij bovendien bedacht moet worden, dat een groot deel van de tekst van het eerste dagboekcahier was geschrapt door de toenmalige bureauredacteur van Adelphi, want irrelevant geacht. Met de publicatie in november 2012 van het volledige dagboek in het Italiaans zijn de gronden voor dit type oordeelsvorming weggenomen.

In het zesde hoofdstuk, het ‘Lied van de handen’, legt Corradini’s Etty Hillesum gedetailleerd uit hoe zij bij Spier de afdrukken van haar handen maakte en beschrijft het resultaat: ‘Een precies en zwart teken, met microscopische lijnen, duizenden tekens: het waren mijn handen. Het was mijn geschiedenis. Niet mijn toekomst, nee: S. was geen oplichter. Hij  sprak over het heden, niet over de toekomst.’ (64) Aanvankelijk was zij zeer sceptisch over de pretentie van de psychochiroloog dat hij via de handen iets zinnigs over iemands innerlijk zou kunnen zeggen. Kritisch schrijft  Corradini/Hillesum: ‘Hoe kun je iets zeggen over hoe een huis is gemeubileerd, als je alleen de voordeur ziet? Dat is absurd.’ Maar dan – ik parafraseer – maakt ze de vergelijking met een kers die Spier in haar hand legt. Hij zag glimlachend toe, omdat ik wist hoe een kers smaakt en waar zij groeit. Een blik op de buitenkant van de vrucht was voldoende. (62-62) Deze vergelijking lijkt me enigszins gewaagd, maar is in het verhaal functioneel, omdat het haar twijfels omtrent Spier wegneemt. Maar Corradini gaat nog een stap verder: Hillesums handafdrukken op het papier worden in het laatste refrein geassocieerd met handen op een landkaart. En daarmee doet de oorlog zijn intrede, want op die kaart is het front aangegeven, de reis naar het oosten, de grenzen die de trein is gepasseerd, de nazi’s (67) die dit alles hebben georganiseerd. ‘Ik volg met mijn vingers de contouren van de horizon, voor me zie ik de bruggen, de kanalen, de heuvels en ga er met mijn vingers langs. En dan de kampen, en ik probeer de ons welgezinde personen tussen de struiken te onderscheiden. Maar het lukt mijn handen niet eens om de deuren van deze wagon openen, laat staan dat ze iets zouden kunnen veranderen. Ieder van ons is het front. En de toekomst is niet geschreven in onze handen, maar is waar men ons heenvoert.’

In luttele pagina’s maakt Corradini door zijn verhalende tekst een serie onderwerpen inzichtelijk, die in een zakelijke tekst veel uitleg zouden vergen en beperkt toegankelijk zou zijn. In het derde hoofdstuk, ‘Lied over het portret’, is de liefde tussen Spier en Hillesum het uitgangspunt. Maar wie over de liefde vertelt, komt al snel op het hart. Dat schept de ruimte om ‘het denkende hart van de barak’ ter sprake te brengen. Maar eerst wordt Spier voorgesteld en uitgelegd wat een chiroloog doet: ‘hij bekijkt je handen om te kunnen begrijpen wat er in je hoofd gebeurt’. (33) De verbinding tussen Spier en het denkende–hart–thema wordt gelegd, als Hillesum in haar schaarsverlichte kamer op een foto zijn gelaat aanschouwt, en waardoor zij de ervaring heeft, dat er in haar innerlijk een licht wordt ontstoken. In kamp Westerbork komt deze dankzij Spier verworven innerlijke kracht of inspiratie tot vorm in de zo frequent geciteerde zin ‘Het denkende hart van de barak.’ (Het Werk, 545, en varianten erop: ‘[…] laat mij dan het denkende hart van deze barak mogen zijn. Ik wil het weer zijn. Ik zou het denkende hart van een heel concentratiekamp willen zijn.’ (Het Werk, 575)

Het lied van de boom
De tiener Etty stal kersen van een boom (het platteland van Deventer?)  die eigendom was van een boer, die dan wel niet wist hoe zij heette, maar die er niet aan twijfelde dat zij Joods was en haar ‘lelijke woorden toeschreeuwde’. (25) Ook haar ouders, haar huis en zelfs haar poes  moesten het ontgelden. De verwijzingen naar het antisemitisme zijn impliciet, maar voor wie ze wil zien, zijn ze er.

Misschien was het lied dat in de wagon werd gezongen, gewijd aan ‘de bomen die wij zagen vanuit de wagon, toen wij Westerbork verlieten, of misschien aan een enkele boom, of aan één boom.’ (27) Onder een boom heeft Etty de mooiste kus van haar leven gegeven, schrijft zij. Aan Julius Spier.

Bomen keren terug in het afsluitende hoofdstuk, als de trein zijn bestemming lijkt te naderen. Uit de wagon ziet zij nieuwe aanplant van bomen en struiken. Wie plant er nu midden in de oorlog nieuwe bomen? Dat doen alleen zij die iets te verbergen hebben: de massagraven waarin Joden zonder naam liggen en waarover reeds lang bomen en struiken groeien. Om de moorden te verbergen.

Maar dat was tevergeefs. Het boek sluit af met dit beeld: ‘Boven ons groeien de planten. Hun wortels komen tussen onze armen alsof ze ons willen omvatten. Stukje bij beetje veranderen ook wij in takken en schors. Spelende kinderen klimmen in onze takken om kersen te stelen.’ Van de kersenboom uit het eerste lied, via het kersendiefje Etty, naar de bomen in de bossen van Oost-Europa en daarna – maar dan zijn we al buiten het boek beland – in heel de wereld waar duizenden bomen voor de rechtvaardigen worden geplant. Wat ook in gedachte komt, is het Joodse ‘Nieuwjaar van de bomen’, het Toe Bisjvat, dat valt op 15 Sjevat, eind januari, begin februari. Op deze feestdag planten Israëlische schoolkinderen in het hele land jonge boompjes.

Conclusie
Corradini heeft over Etty Hillesum een liefdevol boek geschreven. Zij doet daarin het woord, ook al spreekt zij met die van de auteur. De enige ‘bijbedoeling’ lijkt mij er een van didactische aard. Corradni’s teksten bieden de lezers in de beoogde doelgroep talloze aanknopingspunten: enerzijds de beweegredenen van Etty Hillesum om haar gevoelens, gedachten en ervaringen op dat specifieke moment in haar leven in een dagboek onder woorden te brengen, anderzijds om de complexe historische context waarin zij dat deed, aan de jongere generaties te begrijpen. Wie dit boek ter hand neemt om hieraan een steentje bij te dragen, moet uitleggen dat Etty Hillesum geen poes had (Lied van de boom), en dat er rondom kamp Westerbork in de oorlogsjaren geen bomen stonden, zoals nu het geval is. Maar dit zijn details die niets af doen aan Corradini’s verdiensten, integendeel zou ik zeggen; maar ik ben ietwat bevooroordeeld, want ik houd van bomen en ben dol op katten.

 

Advertenties
Geplaatst in Italiaanse Hillesum Kroniek | Tags: , | Een reactie plaatsen

Fred van der Spek (1923-2017)

Van zijn overlijden op 23 november 2017 werd ik door een e-mail van Karin Spaink uit Amsterdam op de hoogte gebracht. Wie weet hoelang ik zonder haar bericht in het ongewisse zou zijn gebleven.

Er is één aanknopingspunt om iets te zeggen over Fred van der Spek in een post op dit  weblog. Hij was uitgenodigd om in het najaar van 1982 in Milaan te spreken op een internationaal congres van de Italiaanse Partito Radicale, geleid door Marco Pannella en Emma Bonino. Hij heeft mij toen gevraagd dit voor hem te doen en dat heb ik gedaan. Fred (in dus voor hem) zou direct na de openingsspeech van Pannella aan het woord komen, want hij was immers een hoge buitenlandse gast, een vooraanstaand lid van een ‘belangrijke’ politieke partij – de PSP – uit een land met een lange traditie van pacifisme en tolerantie, zéér bewonderd – en nog steeds – door sommige Italianen, door anderen, ongetwijfeld de meerderheid, veel minder. De voorzitter opende de zitting en gaf het woord aan Pannella aan en zei dat ik direct na partijleider Marco aan de beurt was. Ik nam mijn tekst en beklom eveneens het podium.

Maar dat was prematuur. Ik wist toen nog niet dat Pannella’s redevoeringen de gemiddelde tijdsduur van die op Russische partijcongressen evenaarden. Toen hij na twee uur onder het spreken zijn tweedjasje begon uit trekken, geholpen door een toegeschoten volgeling, zag ik in dat het nog wel enige tijd zou gaan duren. Ik begreep nu ook waarom de andere partijbonzen, achter de tafel op het podium, licht onderuitgezakt in hun stoel zaten. Ik vond dat eerst van weinig respect getuigen, maar tot inzicht gekomen, nam ik er vervolgens ook mijn gemak van. Dat was mijn eerste les in Italië: je komt hìer met naar Nederlands gebruik nauwkeurig geregisseerde spreektijden niet uit de voeten. Ik weet zeker dat Fred dit gebeuren met een onstuimige lach zou hebben ondergaan.

A.G. vande Spek in 1985, Utrecht.

Zó heb ik    hem meegemaakt en zó herinner ik mij hem het liefst: de persoon op de foto die ik op deze wikipedia pagina vond en die dateert uit 1985, drie jaar na mijn vertrek naar Rome.

Als fraktiemedewerker heb ik van het najaar van 1979 tot het zomerreces van 1982 ‘onder Fred gediend’, en dat is voor mij een intense, leerzame en zeker plezierige periode geweest. Aan de fraktievergaderingen op dinsdag denk ik met genoegen terug. Voor de politieke verwikkelingen binnen de PSP liep ik wat minder warm, althans in mijn herinnering. Ik was geboeid door het kamerwerk, de rol van de PSP daarin, de relativerende betekenis die Van der Spek daaraan hechtte, maar zonder de verplichtingen die het kamerlidmaatschap met zich meebracht te verwaarlozen. Het was één van de podia waar zijn visie en de missie van de PSP in de openbaarheid konden komen.

Van zijn overtuiging was het pacifisme voor mij doorslaggevend en had het socialisme als model voor politieke organisatie van een maatschappij minder prioriteit. Voor hem gold dat niet. Wij dachten over het anti-militarisme wel in dezelfde termen en deelden in die jaren de politieke en economische analyse van dit verschijnsel. Het anti-militarisme is in de wereld van vandaag echter niet meer populair en wordt op macro- en microniveau bijna zonder uitzondering afgewezen.

Het denken over geweldloosheid als politiek alternatief, dat mijn jeugdjaren domineerde (ik was ooit dienstweigeraar), werd opnieuw actueel toen ik in 2006 met Fulvio Manara (1958-2016) uit Bergamo in contact kwam. Manara had zich uitgebreid met het werk en het leven van Ghandi ingelaten, als filosoof en onderzoeker, maar ook als docent. De aanleiding om elkaar te ontmoeten was het werk van Etty Hillesum, maar al snel bleek dat wij geworteld waren in dezelfde, noem het de Europese traditie van geweldloosheid. In de periode 2006-2016, waarin wij moeite deden de studie van Etty Hillesum in Italië te bevorderen, is de naam van Fred van der Spek meermalen gevallen, met name als het ging om de problematiek van het geweld, van de haat, van het lot van de Joden tijdens het nazisme. Manara vatte dit alles goed samen in de uitdrukking ‘cultura della morte’, letterlijk: ‘cultuur van de dood’, die in de Italiaanse theorie en studie van de geweldloosheid gangbaar is.

In gesprekken met Fulvio noemde ik hem nog al eens ‘mio deputato’, mijn kamerlid, dat in het Italiaans ook een mate van affectie herbergt, indien gebruikt in de juiste context. Het moet worden gezegd: aan Van der Spek heb ik voor wat betreft het pacifistische gedachtengoed veel te danken. Fred heeft nooit geweten dat zijn naam en dit aspect van zijn politieke visie in Bergamo meermalen ter sprake zijn gekomen. In de loop van 1983 is het contact met hem verwaterd. Mijn leven in Italië, eerst in Rome en vanaf 1988 in het dorp waar ik nog steeds woon, liet nauwelijks ruimte voor de periode die ik in september 1982 had afgesloten.

Fred mag dan in 2003 tijdens een interview breed lachend vastgesteld hebben: ‘Niks. Ik heb niks bereikt!’, zijn naam en enkele van zijn politieke ideeën zijn niettemin tot in het zuiden van Europa doorgedrongen.

Geplaatst in Afscheid | Een reactie plaatsen

Het Colosseum: een afbeelding en twee boeken

Deze afbeelding komt uit het boek Roma giorno per giorno van Claudio Rendina (Newton e Compton editori, Roma, 2008). Velen zullen weten dat ‘giorno’ staat voor ‘dag’. De eerste dag waarvan Rendina de kroniek beschrijft is 21 april 753 v.Chr., de dag waarop volgens de legende de stad door Romolus werd gesticht. Als laatste dag vermeldt hij dinsdag 29 april 2008. Tijdens de verkiezingen op de twee dagen ervoor (27 en 28) werd Giovanni Alemanno door de Romeinen tot burgemeester gekozen. Daartussen liggen 590 pagina’s tekst op groot formaat afgedrukt en opgeluisterd door vele honderden illustraties. Voor de duidelijkheid: niet elke dag in het leven van de stad wordt in dit boek beschreven. Soms wordt er een jaar overgeslagen en in veel gevallen zijn de gebeurtenissen samengevat in een paar regels. De schrijver heeft zijn leven aan de geschiedenis van Rome gewijd en die in een groot aantal boeken en artikelen voor een algemeen publiek toegankelijk gemaakt. Dat is een grote verdienste.

Colosseum

Een driedimensionale reconstructie van Bruno Brizzi.

Op pagina 98 staat deze afbeelding afgedrukt.

Op het internet zijn de afbeeldingen van het Anphitheatrum Flavium, het Amfitheater van de Flaviërs, niet meer te tellen, maar vreemd genoeg was ik deze nog niet tegen gekomen.

 

De auteur van de reconstructie is volgens het bijschrift in Rendina’s boek Bruno Brizzi. Wie dat was of is (naar ik hoop) heb ik niet kunnen achterhalen.

 

Brizzi wordt niet genoemd in de meer wetenschappelijk georiënteerde monografie Il Colosseo (Electa, 1999), bezorgd door de gerenommerde classica Ada Gabucci. In dit prachtige boek wordt het Colosseum eerst in zijn stedebouwkundige context geplaatst, vervolgens komen de belangrijkste thema’s aan de beurt. Dat zijn achtereenvolgens de  gladiatoren, de architectuur van het monument en hoe de mechanismen, bij voorbeeld de beestenliften, in de tijd van de gladiatoren werkten, het gebruik van het gebouw door de eeuwen heen en in het  laatste hoofdstuk wordt uitgelegd hoe de waterhuishouding  van het amfitheater functioneerde. Dit alles aangeboden in vijf hoofdstukken die werden geschreven door zes auteurs en geïllusteerd met een indrukwekkend aantal afbeeldingen, van werktekeningen en planimetrieën tot reproducties van kunstwerken. Het boek geeft de stand van het archeologisch en historisch onderzoek tot aan het einde van de twintigste eeuw. Het is natuurlijk alleen nog antiquarisch te koop.

Over het Colosseum bestaat een wikipedia artikel in het Nederlands. De Italiaanse en Engelse versies zijn echter aanzienlijk uitgebreider. De oudhistoricus Jona Lendering heeft aan het Colosseum een aantal goed leesbare pagina’s gewijd (226-255) in zijn boek Stad in marmer uit 2002.

Geplaatst in Colosseum | Tags: | Een reactie plaatsen

Giuseppe Laras, 1935 – 2017: de opperrabbijn van Milaan en Etty Hillesum

Op woensdag 15 november 2017 overleed in Milaan rabbijn Giuseppe Laras. Hij was 25 jaar de opperrabbijn van die stad. Hij wordt geëerd met de titel ‘maestro’, geestelijk leider. Door velen werd hij erkend als een gids die richting gaf aan hun bestaan, als een leraar die zijn levenswijsheid deelde met hen die bereid waren naar hem te luisteren.

Giuseppe Laras

Laras heeft telkens opnieuw gewezen op het steeds dieper groeiende antisemitisme, in Italië en in Europa. Gedurende zijn lange carrière heeft hij zich met evenveel vasthoudendheid ingezet voor de interreligieuze dialoog tussen joden en christenen. Hij was tot diens dood bevriend met zijn stadgenoot kardinaal Carlo Maria Martini, eveneens groot voorvechter van deze dialoog. Laras breidde zijn ideeën daarover uit tot de wereld van de islam. Hij nam deel   aan het World Congress of Imams and Rabbis for Peace. Laras heeft gewerkt als universitair docent aan universiteiten in Milaan en Pavia. Hij heeft zich vooral toegelegd op de studie van Maimonides, de Joodse filosofie van de Middeleeuwen en de Renaissance, onderwerpen waarover hij publiceerde.

Zich bewust van het naderende einde heeft Laras in een brief aan de Milanese Joodse Gemeenschap opgeroepen “nieuwe modellen” te ontwerpen waarmee men twee van de complexe problemen van deze tijd aan zou kunnen pakken: ten eerste “de nieuwe golf van antisemitisme, het verraad van de linkse politiek, het snelle intellectuele en morele verval van de Westerse beschaving”, en ten tweede de fase van “uittering en verharding” waarin het Jodendom verkeert.  In de context van de jaarlijkse herdenkingen rond 27 januari was Giuseppe Laras bekend geworden als de ‘Overlevende van de Sjoa’. Op 2 oktober 1944 ontsnapte hij in zijn geboortestad Turijn aan de dood in een concentratie- of vernietigingskamp toen zijn moeder en oma werden verraden. Hij vat de gebeurtenissen nog eens samen in een artikel dat het Italiaanse katholieke dagblad Avvenire op de dag na zijn dood afdrukte: “Het lichaam is een geschenk van God. Mijn jaren ontnemen mij mijn kracht…” Ik vertaal er de volgende passage uit:

Ik herinner mij dat de twee Italiaanse SS-ers eenvoudig op de deur klopten. Onze vrome conciërge, altijd goed behandeld door mijn familie, had mijn moeder en oma aangebracht.  Zo kon zij de 5000 lire per persoon incasseren. Ik herinner mij de straat die wij ’s avonds laat doorgingen, te voet naar het gebouw van de Gestapo. Ik herinner mij de laatste snel gewisselde blik met mijn moeder, die ik nooit meer terug zag. Ik herinner mij hoe ik wanhopig en geschokt was gevlucht om een veilig heenkomen te zoeken, een plaats om mij te verbergen. En ik herinner me ook dat ik een half jaar niet heb gesproken. Ze was mooi, mijn moeder. […] Ons gezin was warm en boordevol van de levenslust, die in het woord ‘familie’ is samengebald en verscholen. Mijn kinderjaren waren heerlijk. Op 2 oktober 1944 raakte ik dit alles in één slag kwijt. Ik was negen jaar oud. Het was een onomkeerbaar verlies.

Zoals gebruikelijk worden bekende personages door journalisten over actuele thema’s om hun mening gevraagd. Dat overkwam ook Rabbijn Laras regelmatig. In een artikel in het dagblad Corriere della Sera van 3 januari 2014 over Etty Hillesums Dagboek (ik heb de bron niet kunnen controleren) heeft hij iets over haar gezegd. De passage wordt geciteerd door Nadia Neri in haar artikel van 14 januari 2014, geplaatst op de website van de Milanese Vereniging Gariwo:

Het is verkeerd haar voor te stellen als een heldin of als een hoeksteen van het denken. Zij was een intelligente en gevoelige jonge vrouw, die ons een zeer belangrijke getuigenis heeft nagelaten. Maar men moet er ook rekening mee houden, dat zij grote psychologische problemen had, die werden verergerd door de verhouding met Julius Spier, een therapeut die 27 jaar ouder was. De woorden en het gedrag van Etty [Hillesum] moeten worden beschouwd in de optiek van een gestoorde persoon.

Neri vindt deze opmerkingen van Laras ‘geringschattend’. Haar verontwaardiging komt voort uit de opvatting “Etty is een gewone vrouw.” (Etty è una donna normale.), die Neri sinds 1988 heeft gekoesterd. Daar is niets op tegen, maar toch wijkt haar mening niet zó sterk af van die van de opperrabbijn als zij in hetzelfde stuk doet voorkomen. Dit blijkt als zij verduidelijkt wat zij zélf onder “normaal”  verstaat: “[Etty had] net als iedereen veel problemen, een moeilijke verhouding met haar ouders, eetproblemen en een ernstige depressie…” Voorwaar niet gering.

Dat geldt ook voor de opmerking van rabbijn Laras over Etty Hillesum: ‘een gestoorde persoon’ (una personalità disturbata). Ik neem voorlopig aan dat Neri de rabbijn correct citeert, maar het lijkt me niettemin een oordeel dat niet past bij iemand als Laras. Je vraagt je af wat hij van Hillesums werk gelezen heeft. Wellicht alleen de bloemlezing uit 1981? Ik blijf voorlopig het anwoord schuldig.

In dit stukje wil ik tot slot nog wijzen op een interessante overeenkomst tussen Etty Hillesum en Giuseppe Laras: beiden waren zij mensen van de dialoog en beiden hebben zij aan die overtuiging méér dan lippendienst bewezen. Het gesprek met de ander veronderstelt de afwezigheid van haat. In het dagelijks bestaan kan aan deze voorwaarde meestal wel worden voldaan, maar in de uitzonderlijke omstandigheden waaronder Etty Hillesum, haar familie en haar volk leefden (en mutatis mutandis de Italiaanse Joden), lagen de verhoudingen volledig anders. Er was veel moed voor nodig om serieus begrip te vragen voor de dialoog.

Ook in onze tijd, die wordt geteisterd door ontelbare verwoestende oorlogen en conflicten op zeer veel plaatsen in de wereld, vraagt het om grote moed de dialoog als middel voor de oplossing van conflicten voor te stellen. Niet zelden wordt deze optie honend afgewezen. De boventoon voert wat men aanduidt als “hate speech”; zoals bekend, werd de haat door Etty Hillesum op 15 maart 1942 zeer treffend aangeduid als “… een ziekte van de eigen ziel.”

Nota.

Nadia Neri is de schrijfster van het boek Un’estrema compassione. Etty Hillesum testimone e vittima del Lager, Milaan: Bruno Mondadori, 1999.

Geplaatst in Afscheid, Italiaanse Hillesum Kroniek | Tags: , | Een reactie plaatsen

Goethe in Civita Castellana, 1786

Achterin de zaal verhief zich een stem: “Ik heb de man nooit erg sympathiek gevonden. En dat iedereen met zijn Italië-boek wegloopt, wat zal ik zeggen, voor mij hoeft het niet.”

De stem bleek later bij een gepensioneerde docente Duits te horen. Zij had het over Goethe en diens boek Reis naar italië. Ook ik in Arcadië. De civitonica – inwoonster van Civita Castellana –  lanceerde haar opmerking na afloop van de twee lezingen over Goethe’s bezoek in 1786 aan het stadje, waar hij op 28 oktober aankwam. De schrijver was die ochtend heel vroeg uit Terni vertrokken met als reisdoel Rome: “Morgenavond dus in Rome. Ik kan het nog nauwelijks geloven…” (132) De route liep over de via Flaminia en dat betekende aan het eind van de 18e eeuw dat je aan je rechterhand het stadje Civita Castellana op je weg vond. Het deel van de Flaminia tussen Terni en Civita was niet eenvoudig, want je moest de bijna 50 kilometer met een reiskoets over een stel fikse bergen en navenante dalen. (Zie Google Maps.) De weg wordt nu gebruikt voor wat men plaatselijk verkeer noemt, maar tevens door hedendaagse pelgrims, die te voet of op de fiets de via Flaminia nemen om de heilige stad te bereiken. Als je de tijd hebt, beloont het landschap je met spectaculaire panorama’s en grote schoonheid.

Het bleek later, dat de gepensioneerde lerares Duits zich vooral had gestoord aan de schaarse notities die de beroemde schrijver aan haar geliefde geboorteplaats had gewijd. Zij had het boek al op jonge leeftijd gelezen, eerst in een Italiaanse vertaling en later natuurlijk in Goethe’s moedertaal, die voor haar de tweede werd en die zij ook zou gaan onderwijzen.

Ik van mijn kant was ook niet erg gelukkig met de acht woorden die hij aan onze Soratte heeft gewijd: “zeer schilderachtig verheft zich de alleenstaande berg Soracte”. (131) Hij zou dit geschreven kunnen hebben na het bekijken van een van de schilderijen van de vele Noord Europese kunstenaars, die vóór hem in Rome waren neergestreken en de berg in het landschap hadden afgebeeld. Een paar woorden dus maar, en geen bezoek gebracht aan het dorp Sant’Oreste, noch de berg bestegen. De schrijver had vanaf de top de Tyrreense zee kunnen aanschouwen: een tijdloze en onvergetelijke ervaring.

Op de voorgrond het fort Sangallo met het stadje Civita Castellana. Op de achtergrond de berg Soratte.

In het korte debat dat volgde, gebruikte de lerares in een bijzin het woord ‘dagboek’ voor Goethe’s boek. Een merkwaardige typering, want zó had ik het nooit gelezen. Later begreep ik waarom meer lezers dit dachten: boven de paragrafen staat immers de plaats en de datum vermeld, en soms ook het dagdeel.

Borstbeeld Goethe 1780. Foto Maria Korporal, 2017.

Je kunt van Reis naar Italië van alles en nog wat zeggen, maar het als dagboek kwalificeren, nee, dat kan niet. Het is voldoende om te weten dat de auteur de tekst pas drie decennia later geschikt heeft gemaakt voor publicatie, namelijk in 1817. Na dertig jaar was Goethe niet meer de jongeman die zijn Italiaanse Grand Tour maakte. Het boek dat hij in 1817 aan zijn lezers voorlegde, bevat een bewerking van de teksten die hij tijdens die reis had geschreven, geen dagboek. Wellicht was dit de beste keuze die hij kon maken, want Goethe’s reisverslag – mits de lezer de nodige afstand bewaart – prijkt terecht op de leeslijst van elke Italië-reiziger.

 

Nota

Voor dit stukje heb ik de vertaling van Mr. Roel Houwing gebruikt, waarvan de eerste druk in 1946 bij Contact verscheen, de mijne is de 5e, uit 1975. In 2005 kwam Uitgeverij Boom met een geannoteerde vertaling, bezorgd door M. Putz.

De lezingen werden gehouden op vrijdagmiddag 27 oktober 2017 in de bibliotheek van Civita Castellana.

 

Geplaatst in Italië reizigers, Sant'Oreste en de berg Soracte | Tags: | Een reactie plaatsen

Generalfeldmarschall Albert Kesselring in Sant’Oreste, 1943-1944

Italië heeft in beide wereldoorlogen een rol gespeeld. In het dorpje waar ik sinds 1988 woon, werd over het tijdsbestek waarin zij werden gestreden (1915-1918 + 1940-1945) op vrijdagmiddag 13 oktober een klein symposium gehouden. De decennia die zij omsluiten wordt in de Nederlandse geschiedschrijving Interbellum genoemd en in de Italiaanse aangeduid met Ventennio. De bijeenkomst vond plaats in de context van het project “Grote en kleine geschiedverhalen in Neder Sabina tussen de wereldoorlogen” [Storie e microstorie in Bassa Sabina nel periodo delle guerre mondiali], waarvan de organisatoren beogen zoveel mogelijk archiefstukken, mondelinge getuigenissen, foto’s, objecten, enz., aanwezig in de locale archieven, te verzamelen en beschikbaar te maken.

Voor wie? In de eerste plaats voor de inwoners van de tien gemeenten die met hun archieven en bibliotheken aan het project deelnemen. De website tilt op die manier de locale geschiedenis naar een interlocaal niveau en vervolgens naar een vorm van algemene toegankelijkheid. De gemeenten zijn: Cantalupo, Casperia, Forano, Montopoli di Sabina, Nazzano, Poggio Mirteto, Sant’Oreste, Tarano en Toffia. Van deze tien kan ik alleen spreken over Sant’Oreste, de stad waar ik woon en werk. Elk van deze tien heeft natuurlijk iets om trotse verhalen over te vertellen, maar alleen Sant’Oreste heeft de berg Soracte. En juist in de middelste jaren van de Tweede Wereldoorlog heeft deze berg onderdak verleend aan een van Hitlers bekendere generaals: Albert Kesselring.

De twee hoofdrolspelers en Kesselring op de rug gezien.

Kort na half september 1943 vestigde hij zijn hoofdkwartier in de tunnels die in de 2e helft van de jaren dertig van de vorige eeuw op bevel van Mussolini in de westelijke flank van de berg waren gegraven.Het jaar 1943 is een sleuteljaar: op 25 juli zet de Hoge Raad van het fascisme zijn eigen leider af. Na zijn bezoek aan de koning wordt de Duce gearresteerd en naar Campo Imperatore op de Gran Sasso overgebracht. Op 8 september wordt in de vooravond bekendgemaakt dat Italië om een wapenstilstand heeft gevraagd aan de geallieerden, die inmiddels een flinke vooruitgang hebben geboekt in het zuiden van het land. De koning en de regering poetsen kortelings de plaat: in Brindisi nemen zij de boot naar veiliger havens.

De voormalige bondgenoten zagen de bui al hangen en hebben na 25 juli 1943 niet stilgezeten. Generaal Kesselring kan na overleg met Hitler in actie komen en al op 10 september de getekende overgave in ontvangst nemen en Rome en Midden- en Noord-Italië tot bezet gebied verklaren waarvoor de Duitse oorlogwetgeving geldt. Enkele dagen daarna betreedt de generaal zijn werkvertrekken in één van de tunnels. De berg biedt hem, zijn staf en manschappen, ongeveer 500 personen, veiligheid tot de eerste dagen van juni 1944.

Deze opmerkelijke aanwezigheid heeft in het dorp ook in de naoorlogse jaren een rol gespeeld. Zodanig dat een onderwijzer tijdens de schooljaren 1976-1977 en 1977-1978 op het idee kwam om een groep van 27 leerlingen van 10 tot 12 jaar een flink aantal familieleden en bekenden over deze negen maanden te ondervragen. Het kon immers niet anders dan dat de aanwezigheid van soldaten en officieren van de Wehrmacht het bestaan van velen in het dorp belangrijk had beïnvloed.

De onderwijzer heette Giuseppe Zozi (overl. in 2016). Een groot deel van de 27 leerlingen woont nog in het dorp. Eén van hen heeft tijdens het symposium van vrijdagmiddag iets over hun ‘onderzoek’ verteld. Hij liet ons ook het resultaat ervan zien: een ruim 300 pagina’s tellend gestencild verslag van hun werk. De jongens en meisjes hadden ‘oral history’  bedreven zonder ooit van deze vorm van geschiedbeoefening te hebben gehoord.

De wethouder van cultuur heeft mij gevraagd iets te zeggen over het personage commandant Albert Kesselring en over het boek L’isola di Kesselring, dat onze uitgeverij Apeiron Editori in 2002 heeft gepubliceerd. In het boek wordt het verhaal van de negen maanden verteld. De redacteur Francesco Zozi had zich voorgenomen het materiaal in een leesbaar verhaal toegankelijk te maken voor zijn dorpsgenoten en eventueel voor andere geïnteresseerden. Hier was dus geen historicus aan het woord die de nodige kritische afstand kon nemen, maar een dorpsbewoner met een politieke mening die door velen werd gedeeld en door vele anderen radikaal verworpen. Zozi stond immers bekend als een sympathisant van Mussolini en orthodoxe katholiek, en beide aspecten hebben hun sporen nagelaten. Niettemin vond het boek bij ‘vriend’ en ‘vijand’ onthaal en maakte op zijn beurt geschiedenis, ook buiten het dorp.

Aan mij dus het verzoek iets over de ‘ware’ Albert Kesselring naar voren te brengen. Ik zal dat hier niet herhalen en verwijs naar de inmiddels flink gegroeide literatuur en de memoires van de Wehrmacht generaal van de Luftwaffe, waarin hij met onwankelbare trots zijn levensloop aan het papier heeft toevertrouwd. Hij verschoont zichzelf van elke verantwoordelijkheid voor de talloze burgerslachtoffers van de bombardementen op de steden Warschau (1939) en Rotterdam (1940). Zijn beleid ten aanzien van het Italiaanse verzet en de burgerbevolking – gekenmerkt door de voor nazi’s kenmerkende terreur – werd volgens hem door de oorlogssituatie gerechtvaardigd. Mij lijkt de understatement-achtige conclusie van de Duitse historicus Elmar Krautkrämer geldig: ‘Eine besondere Achtung des menschlichen Lebens hat ihn nicht ausgezeichnet’. Ik hoef niet te zeggen, dat de hier opgesomde elementen door redacteur Zozi niet in aanmerking zijn genomen. Onjuist en onnodig zou het zijn hem dit achteraf te verwijten. Voor het veertigtal toehoorders van mijn Kesselring causerie was dit nieuwe informatie die tot debat aanleiding gaf.

De bijeenkomst van vrijdagmiddag maakte overigens opnieuw duidelijk welke gevaren locale geschiedschrijving bedreigen, als deze wordt bedreven met een te geringe historiografische afstand, men de algemene context uit het oog verliest en als men, ten slotte, gegevens verzamelt met behulp ‘oral history’ technieken zonder de regels van dit vak in acht te nemen.

 

 

Geplaatst in Sant'Oreste en de berg Soracte | Tags: , | Een reactie plaatsen

Bij de dood van mijn kater Max (2000-2017)

Op een avond aan het begin van deze nieuwe eeuw, tijdens een gespek bij hem thuis, stelde mijn vader dat aan het gezond oud worden een erg vervelend nadeel kleefde. Hij doelde op het wegvallen van de mensen van zijn generatie. Dat ontnam hem de mogelijkheid om met hen het gezamenlijk verleden te delen. Het hield hem bijna dagelijks bezig, zei hij, en voegde er aan toe dat het praten over je eigen verleden met iemand die was opgegroeid in de dezelfde tijd en omgeving héél iets anders was dan aan je kleinkinderen vertellen hoe een bepaalde gebeurtenis “in opa’s jeugd” zich had afgespeeld.

Diverse jaren na zijn dood heb ik pas doorzien wat er in zijn redenering stak. Ik begreep bij voorbeeld, dat een kleinkind, hoe belangstellend het zich in het gunstigste geval ook toont, de discontinuïteit belichaamt. En verder dat elk overlijden van één van mijn vaders leeftijdsgenoten een onheelbare breuk was, het definitieve verlies van wéér een gesprekspartner, dat de voorraad in het magazijn der eenzaamheid aanvulde. Hij bezocht niettemin trouw de begrafenisplechtigheden van zijn één voor één overleden vrienden, kennissen en familieleden, die hem. zo zei hij, voor waren gegaan.

Max in 2015.

Zijn bespiegelingen speelden mij weer door het hoofd in de dagen na het overlijden van mijn tweede en laatste huisgenoot-viervoeter kater Max. Hij stierf op woensdagmorgen 14 juni 2017 bij het aanbreken van de dag. Daarmee kwam er een eind aan zeventien jaar gezelschap, waarvan toewijding en vertrouwen, plezier en communicatie de belangrijkste bestanddelen waren. Gewoonlijk passen deze elementen in een goede verhouding tussen het dier en de mens die hun lot aan elkaar hebben verbonden. Wellicht trad het element van de ‘communicatie’ bij kater Max meer dan gebruikelijk op de voorgrond. Een dierenarts zei ons – eind 2000 bij zijn sterilisatie – dat hij behoorde tot de ‘pratertjes’, die naar haar mening niet zo dik gezaaid waren. Zij ried ons aan deze aanleg te stimuleren. Wij volgden haar advies op en de beloning bleef niet uit: Max groeide op tot een kater die te pas en te onpas zijn bekje open deed. Tot wederzijds genoegen, dat spreekt.

Vanwege het vertrek van mijn drie huisgenoten: door het overlijden van twee geliefde dieren en het verhuizen van één geliefd mens naar elders mankeren de samenspraak en het genot van het gedeeld verleden.

De kunstenaar en schrijver Jac. van Looy geeft zijn personage bij het begin van zijn verhaal ‘De dood van mijn poes’ (1889) deze gedachten in:

Waar zat zo’n beest anders zo lang, en nu juist, nu ik haar bij me hebben wou, nu ’k me zo alleen voelde, zij zo vroolijk met haar gespeel; nu ik haar eigenwijs wel zou willen zien rondlopen over mijn zolder, of onhoorbaar van haar nest op de luie stoel naar me komen zien aanzetten, de geringde staart hoog dragend, als een pluim ijdelheid die ze genoegelijk boven zichzelf opstak. […] kijk: zo zou ik haar weer willen zien liggen nu, op de rosse vloer van oud plankenhout, in weelderig uitgerek, net doende zo, als een miniatuur van een koningstijger op een rode rots die zich heet stooft, geslagen liggend door ’t zat vreten, vuurkijkend nog uit de zwarte ringen van zijn geweldige kauwkop en die gaapt en rekt en knipoogt naar de zon.

Van Looys poes komt terug naar het atelier, maar het loopt toch slecht met haar af. U vindt hier het complete verhaal.

Oh ja, mijn vader meende oprecht, dat het geregeld ophalen van herinneringen aan wat je samen hebt beleefd, je uiterste best doen om zoveel mogelijk details boven water te krijgen, ondanks de verklaarde onbetrouwbaarheid van het menselijk geheugen, de dood bij hem uit het laantje hield. Ik meen dat hij er niet ver naast zat.

Mijn goede Max heb ik dezelfde woensdag even voor zonsondergang achter de grote loods begraven. Een plaatsje op loopafstand, minder dan honderd meter van mijn huis. Af en toe ga ik er langs en leg er een steentje bij.

Geplaatst in Afscheid | Tags: , , | Een reactie plaatsen